De wereld van de Nederlandse zoetwatervissen
Het materiaal voor deze rubriek is aangeleverd en geschreven door
Henrik W. de Nie een specialist op het gebied van zoetwatervissen.
Hij is o.a. auteur Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen en rode lijst
bedreigde en kwetsbare zoetwatervissen.
E-Mail: Henrik W. de Nie
Site: Zoetwatervissen
|
Taxonomische indeling
| Taxonomische indeling Nederlandse zoetwatervissen
|
|---|
| Superklasse Kaaklozen (Agnatha)
|
|---|
Orde prikachtigen Petromyzontiformes | Beekprik | Lampetra planeri
|
| Rivierprik | Lampetra fluviatilis
|
| Zeeprik | Petromyzon marinus
|
| Superklasse Kaakmondigen (Gnathostomata)
|
|---|
| Klasse beenvissen (Osteichthyes)
|
|---|
| Orde | Nederlandse naam | Wetensch. naam
|
|---|
| Baarsachtigen | Baars | Perca fluviatilis
|
| Pos | Gymnocephalus cernuus
|
| Snoekbaars | Stizostedion lucioperca
|
| Zonnebaars | Lepomis gibbosus
|
| Haringachtigen | Elft | Alosa alosa
|
| Fint | Alosa fallax
|
| Kabeljauwachtigen | Kwabaal | Lota lota
|
| Karperachtigen | Alver | Alburnus alburnus
|
| Barbeel | Barbus barbus
|
| Bermpje | Barbatula barbatulus
|
| Bittervoorn | Rhodeus sericeus
|
| Blankvoorn | Rutilus rutilus
|
| Blauwband | Pseudorasbora parva
|
| Blauwneus | Vimba vimba
|
| Brasem | Abramis brama
|
| Elrits | Phoxinus phoxinus
|
| Gestippelde alver | Alburnoides bipunctatus
|
| Giebel | Carassius auratus gibelio
|
| Graskarper | Ctenopharyngodon idella
|
| Grote modderkruiper | Misgurnus fossilis
|
| Karper | Cyprinus carpio
|
| Kleine modderkruiper | Cobitis taenia
|
| Kolblei | Abramis bjoerkna
|
| Kopvoorn | Leuciscus cephalus
|
| Kroeskarper | Carassius carassius
|
| Riviergrondel | Gobio gobio
|
| Roofblei | Aspius aspius
|
| Ruisvoorn | Rutilus erythrophthalmus
|
| Serpeling | Leuciscus leuciscus
|
| Sneep | Chondrostoma nasus
|
| Vetje | Leucaspius delineatus
|
| Winde | Leuciscus idus
|
| Zeelt | Tinca tinca
|
| Meervalachtigen | Bruine dwergmeerval | Ameiurus nebulosus
|
| Zwarte dwergmeerval | Ameiurus melas
|
| Meerval | Silurus glanis
|
| Palingachtigen | Paling (rode aal) | Anguilla anguilla
|
| Platvissen | Bot | Platichthys flesus
|
| Schorpioenvissen | Rivierdonderpad | Cottus gobio
|
| Stekelbaarzen | Driedoornige stekelbaars | Gasterosteus aculeatus
|
| Tiendoornige stekelbaars | Pungitius pungitius
|
| Steurachtigen | Steur | Acipenser sturio
|
| Tandkarpers | Gup | Lebistes reticulatus
|
| Zalmachtigen | Amerikaanse hondsvis | Umbra pygmaea
|
| Beekforel | Salmo trutta fario
|
| Bronforel | Salvelinus fontinalis
|
| Houting | Coregonus oxyrinchus
|
| Regenboogforel | Oncorhynchus mykiss
|
| Snoek | Esox lucius
|
| Spiering | Osmerus eperlanus
|
| Vlagzalm | Thymallus thymallus
|
| Zalm | Salmo salar
|
| Zeeforel | Salmo trutta trutta
|
Oecologische indelingen voor vissen
Zone-indeling
Dit is een klassieke indeling, afkomstig uit Midden-Europa (Smolian 1920, geciteerd
in Schouten en Quak 1993). De indeling gaat uit van het ecosysteem van de rivier,
bezien van de oorsprong als gletsjerbeek tot het mondinggebied met getijdenzone en
overgangen naar zout water. Het ideale systeem waarin de mens nog weinig aan de
rivier geknutseld en verpest had. Omdat deze ideale situatie in West-Europa
praktisch voorbij is, heeft de indeling weinig zin. De typische Nederlandse,
vaak kunstmatig ontstane watertypen zoals sloten, kanalen, meren en plassen niet in
dit systeem te passen.
Het zonesysteem onderscheidt zes segmenten. Vissen behoren niet strikt tot een
bepaalde zone. Er is veel overlap, sommige vissoorten kunnen in verschillende
zones voorkomen.
- Forelzone
Hierin staat de beekforel centraal. Voor bergbeken geldt dat er ook jonge zeeforel
en zalm voorkomt.
Vaak wordt de forelzone weer opgesplitst in diverse typen die voor Nederland
helemaal niet relevant zijn.
Het water hoort voedselarm en koud te zijn. De bodem bestaat uit schoon
grind, zand en plaatselijk in rustige binnenbochten wat slib. Mogelijk voldeden
een paar zijbeken van de Geul in Zuid-Limburg aan de typering forelzone. Deze
beken zijn verloederd door vermesting, aantasting beekbegeleidende vegetatie
(nadelige invloed op onder meer watertemperatuur), en daling grondwaterstand
waardoor afvoer slecht gebufferd is.
- Vlagzalmzone
Hier is de vlagzalm dominant, er zijn weer vele, vaak ook in andere zone
voorkomende begeleidende vissoorten.
Mogelijk behoort de Geul hiertoe. Het water is iets voedselrijker, er is
afwisseling van grind, zand en slib en de beek in wat dieper en breder dan in
de forelzone. Aan de restauratie van de Geul wordt gewerkt.
- Barbeelzone
In deze zone is de barbeel prominent, met weer een groot aantal begeleidende
soorten. Waarschijnlijk kan alleen de Maas tussen de zuidgrens met België en
Maasbracht, de zogenaamde Grensmaas tot de barbeelzone gerekend worden. Dit is
de middenloop van een rivier door zacht glooiend heuvelland. Het water is iets
voedselrijker dan in de vorige zone. Schone grindbodems (grindbanken) zijn voor
de typische vissoorten een belangrijke voorwaarde voor het voltooien van de
levenscyclus.
Ook hier zijn ernstige problemen met milieuvijandige stoffen in het water,
vermesting en heel nadelig voor vis een slechte watervoering.
Er lopen twee kanalen evenwijdig aan de rivier en in tijden van waterschaarste
wordt het water eerst door de kanalen geleid.
- Brasemzone
Deze zone heeft de brasem als dominerende soort. Het is oorspronkelijk echter
een zeer soortenrijke gemeenschap. De verbraseming, een toestand waarin de brasem
fysiek (qua aantal en /of biomassa) domineert is een door overbemesting ontstane
toestand.
Traditioneel de zone van de laaglandrivier. Het water is hier van oorsprong al
enigszins voedselrijk water. Tot dit type behoren ook stilstaande wateren die
ontstaan zijn door natuurlijke bochtafsnijdingen of plassen in overstromingsvlakten
die een groot deel van het jaar van de stromende rivier zijn afgesloten.
Het prehistorische Nederland (Holoceen) moet heel rijk geweest zijn aan dit soort
wateren. Dit landschapstype, waarin verlanding, dus veenvorming optrad, was zeer
dynamisch. In de ruimte en de tijd was er afwisseling in habitats: kale zandbanken,
steile oevers, luwteplaatsen met ondergedoken waterplanten, rietmoerassen en
ooibossen.
- Hoge brakwaterzone
Hier meer kenmerkende soorten: pos, spiering, paling en driedoornige stekelbars.
Dit is ook een zeer dynamisch landschap. Hier stroomde de rivier zeer langzaam en
werd slib afgezet. Hier vond ook verlanding (veenvorming ) plaats, dus rijke
vegetaties. Soms was het water brak, dus de vissoorten die hier leefden waren
daaraan aangepast. Zoetwatervissoorten als pos, blankvoorn, kolblei, snoek en
kwabaal kunnen leven in brak water. Verder was deze zone belangrijk voor de
trekkende vis.
- Lage brakwaterzone
Net als in de vorige zone zijn hier meer soorten. Steur, bot, zee- en rivierprik
behoren tot de kenmerkende soorten ten opzichte van de hoge brakwaterzone.
Hier was de invloed van de zee voortdurende merkbaar. Dit is het (oorspronkelijke)
estuarium met zand- en slibbanken, afgewisseld door diepe geulen waarin de
stroomsnelheid door eb en vloed werd beïnvloed. Hier lagen de paaigebieden van de
trekkende spiering in de diepe geulen en in ondieptes met grind en zand
paaiden de fint. Larven van deze haringachtige vis waren aangepast aan deze habitat
door een eigen foerageerritme afgestemd op eb en vloed. Bij sterke stroming
verbleven ze dicht bij de bodem, bij opkomend tij, als de afstroming door de rivier
en het opkomende zoute water elkaar in evenwicht hielden, werd er gefoerageerd.
Zeegrasvelden en zandplaten met een typische zoutflora behorend tot dit type.
Helaas is deze hele indeling geschiedenis geworden, maar kan in de toekomst een rol
spelen als streefbeelden voor ecologisch herstel. Er zij al heel wat bomen
gesneuveld voor de vele nota's van overheidsbiologen gewijd aan ecologisch herstel.
In Nederland veelgebruikte indeling voor zoetwatervissen
Visserij-onderzoekers in Nederland hanteren vaak een systeem dat min of meer is afgeleid van het
zone-systeem. Het grote voordeel van dit systeem is dat iedere vis uniek gekarakteriseerd wordt.
- Eurytope soorten (Eu)
Dit begrip betekent hetzelfde als euryoek (Grieks: eury = wijd; oikos = huis; Latijn: topus = plaats)
Eurytope vissoorten komen voor over een breed traject van milieugradiënten.
Alle stadia van deze vissoorten komen zowel in stilstaand als stromend water voor.
Tot deze groep behoren de meest voorkomende soorten.
- Limnofiele soorten (Li)
(Grieks: limne = poel, stilstaand water; philein = beminnen) Dit zijn soorten waarbij alle levensstadia gebonden zijn aan stilstaand water met een rijke begroeiing
Deze soorten zijn voornamelijk de begeleidende soorten van de brasemzone, behalve de snoek die
ook in klein stromend water voorkomt, mits daar ook planten of andere mogelijkheden voor
schuilgelegenheid is.
- Obligaat rheofiele soorten (Ro)
Rheofiel betekent stroomminnend (Grieks: rheëin = stromen). Alle levensstadia zijn gebonden aan stromend water, verbinding met zee niet noodzakelijk. Hier
treffen we beekforel, vlagzalm en barbeel aan, de kensoorten van de bijbehorende zones met
stromend water en de begeleidende soorten waarvan er ook een drietal (kopvoorn, barbeel en
sneep) wel eens afdalen in de lagere stroomgebieden van de rivier die tot de brasemzone behoren.
- Partieel rheofiele soorten (Rp)
Sommige levensstadia zijn gebonden aan stromend water. Dit water moet dus in verbinding staan
met beek of rivier. Deze vissoorten zoeken in de paaitijd stromend water op, maar verblijven als
volwassen vis veelal in stilstaand water. Overigens kunnen zonnebaars, kwabaal en de
dwergmeervallen zich ook voortplanten in stilstaand water.
- Rheofiel zoet - zout (Rz)
Dit zijn stroomminnende soorten die van zout naar zoet trekken om te paaien, dit zijn de anadrome
soorten zoals zalm, zeeforel, steur en houting. Daarentegen zijn er soorten als paling en bot die van
zoet naar zout trekken om te paaien (Grieks: ana = naar boven; kata = naar beneden; dromein =
rennen)
| In Nederland veel gebruikte indeling voor zoetwatervissen
|
|---|
| Nederlandse naam | Latijnse naam | Type nl
|
|---|
| Paling (rode aal) | Anguilla anguilla | Eu
|
| Brasem | Abramis brama | Eu
|
| Kolblei | Abramis bjoerkna | Eu
|
| Roofblei | Aspius aspius | Eu
|
| Karper | Cyprinus carpio | Eu
|
| Blankvoorn | Rutilus rutilus | Eu
|
| Meerval | Silurus glanis | Eu
|
| Pos | Gymnocephalus cernuus | Eu
|
| Baars | Perca fluviatilis | Eu
|
| Snoekbaars | Stizostedion lucioperca | Eu
|
| Kroeskarper | Carassius carassius | Li
|
| Giebel | Carassius auratus gibelio | Li
|
| Graskarper | Ctenopharyngodon idella | Li
|
| Vetje | Leucaspius delineatus | Li
|
| Bittervoorn | Rhodeus sericeus | Li
|
| Ruisvoorn | Rutilus erythrophthalmus | Li
|
| Zeelt | Tinca tinca | Li
|
| Kleine modderkruiper | Cobitis taenia | Li
|
| Grote modderkruiper | Misgurnus fossilis | Li
|
| Snoek | Esox lucius | Li
|
| Amerikaanse hondsvis | Umbra pygmaea | Li
|
| Gup | Lebistes reticulatus | Li
|
| Tiendoornige stekelbaars | Pungitius pungitius | Li
|
| Beekprik | Lampetra planeri | Ro
|
| Blauwneus | Vimba vimba | Ro
|
| Gestippelde alver | Alburnoides bipunctatus | Ro
|
| Barbeel | Barbus barbus | Ro
|
| Sneep | Chondrostoma nasus | Ro
|
| Kopvoorn | Leuciscus cephalus | Ro
|
| Serpeling | Leuciscus leuciscus | Ro
|
| Elrits | Phoxinus phoxinus | Ro
|
| Bermpje | Barbatula barbatulus | Ro
|
| Regenboogforel | Oncorhynchus mykiss | Ro
|
| Bronforel | Salvelinus fontinalis | Ro
|
| Beekforel | Salmo trutta fario | Ro
|
| Vlagzalm | Thymallus thymallus | Ro
|
| Rivierdonderpad | Cottus gobio | Ro
|
| Alver | Alburnus alburnus | Rp
|
| Riviergrondel | Gobio gobio | Rp
|
| Blauwband | Pseudorasbora parva | Rp
|
| Winde | Leuciscus idus | Rp
|
| Bruine dwergmeerval | Ameiurus nebulosus | Rp
|
| Zwarte dwergmeerval | Ameiurus melas | Rp
|
| Kwabaal | Lota lota | Rp
|
| Zonnebaars | Lepomis gibbosus | Rp
|
| Zeeprik | Petromyzon marinus | Rz
|
| Rivierprik | Lampetra fluviatilis | Rz
|
| Steur | Acipenser sturio | Rz
|
| Elft | Alosa alosa | Rz
|
| Fint | Alosa fallax | Rz
|
| Spiering | Osmerus eperlanus | Rz
|
| Houting | Coregonus oxyrinchus | Rz
|
| Zeeforel | Salmo trutta trutta | Rz
|
| Zalm | Salmo salar | Rz
|
| Driedoornige stekelbaars | Gasterosteus aculeatus | Rz
|
| Bot | Platichthys flesus | Rz
|
| Harder | Liza spec. | Rz
|
Levenscyclus, voedsel
Inleiding
Het belang van vis als bio-indicator hangt nauw samen de habitateisen van vis.
Vooral abiotische factoren als stroming en de morfologie van beken, rivieren en plassen spelen daarbij een rol. Een aantal vissoorten zijn in dat opzicht indicerend.
Het is vooral het ontbreken van de dynamiek in het aquatisch milieu geweest die veel vissoorten liet verdwijnen.
Levenscyclus
Bij de inheemse zoetwatervissoorten worden de eieren (kuit) uitwendig bevrucht met sperma (hom).
Er zijn levendbarende vissoorten: inheems, in zout kustwater de puitaal (Zoarces viviparus);
uitheemse vissoort de gup.
Sommige soorten zoals zeeforel, zalm, stekelbaars en meerval maken een nest en kennen
broedzorg. Alleen bewaking van eieren door mannetje komt voor bij snoekbaars en vetje.
Bittervoorn legt eieren in zoetwatermossel. De rivierdonderpad plakt eieren onder stenen.
Larve fase is de vorm die het visje heeft tussen uitkomen uit het ei totdat het uiterlijk heeft van
miniatuur volwassen vis. Dit kan lang duren (paling) of heel kort (karper). Palinglarven leven
zelfstandig in zee, veel vislarven zijn zeer kwetsbaar, teren op dooierzak en leven verborgen tussen grind (rheofiele vis) of planten.
Visserijkundige termen:
- Jaarklasse: alle vissen bepaalde soort in hetzelfde jaar geboren
- Gewicht als functie van de tijd S-vormig.
- Sterfte in de tijd is exponentieel aflopende curve
- Product is optimumcurve
- "Oogstmomenten: " te vroeg - onderbenutting groeipotentieel; te laat- verlies vangst, maar grotere vis.
Plaats in de voedselpiramide
Productie is de hoeveelheid biomassa, geproduceerd per jaar, uitgedrukt in drooggewicht per
vierkante meter wateroppervlakte. Vis lijkt kwantitatief onbelangrijk in het aquatisch ecosysteem. In Tjeukemeer (snoekbaars, brasem type) 93% van de biomassaproductie plantaardige productie, 7% dierlijke productie, van dierlijke productie 82% ongewervelde (zooplankton en macrofauna), slechts 18% vis. Hiervan 90% door snelgroeiende nuldejaars vis en slechts 10% (0,11% van de totale biomassaproductie) voor visser interessante vis zoals snoekbaar en paling.
Hoog in voedselpiramide, dus ophoping van Hg en PCB's, daarom geschikt als milieu-indicator.
Voedsel zoeken
De vorm van het lichaam, de bek en de zintuigen op de kop zijn van belang bij het foerageren.
Optimaal foerageren is zoeken en vinden van de juiste verhouding tussen de hoeveelheid energie noodzakelijk om voedsel te vergaren en wat het voedsel levert.
Meeste vissen eten watervlooien (kleine crustacee‰n als Daphnia) als ze klein zijn, later mollusken (slakjes, kleine zoetwatermossels), wormen, grotere crustaceën (Mysis, Asellus, gammariden). Erg populair: larven van vliegen en muggen, ephemeroptera (haften, in beken)(vliegvissers!) .
- Zicht
Een aantal vissoorten is uitgesproken oogjager, vaak gaat dit gepaard aan een bovenstandige bek.
Deze vissoorten kunnen onder andere insecten van wateroppervlakte ophappen: alver, gestippelde alver, vetje, rietvoorn en spiering.
Niet altijd bovenstandige bek: stekelbaarzen, zalmachtigen. Ook bodemfoerageerders met oog: rivierdonderpad, misschien pos.
Oog niet alles. Snoek hoewel bekend als oogjager, kan ook zonder. Snoekbaars, met opvallend
groot oog succesvol in troebel, donker water.
- Reuk, tast
Reuk speelt bij paling belangrijke rol. Aantal plooien in reukorgaan is 50-100. Regenboogforel (geen bijzondere vis in dit opzicht) 15, kwabaal, ook vis waarbij reuk een rol speelt: 30.
Zijlijnsysteem speelt ook rol bij vis. Blinde snoek blijft in leven. Erg opvallend bij vooral bodem
foeragerende vissen de tastdraden aan de bek: Zoals bij steur, barbeel, karper, riviergrondel, zeelt, modderkruipers, bermpje en meervallen (tevens belangrijk determineerkenmerk).
Meervallen zijn extra interessant omdat zij gebruik maken van een elektrisch veld (vgl. sidderaal uit Orinoco, niet verwant aan paling, noch aan inheemse meerval).
- Filtersystemen en keeltanden
Feitjes over kieuwen: bedoeld voor O2 -opname uit het water. De kieuwen bestaan uit steunende botstructuur de kieuwboog, met aan de ene kant de kieuwboogaanhangsels en aan de andere kant de kieuwlamellen. De lamellen zijn doorbloed en hier vindt gasuitwisseling plaats, de aanhangsel dienen om de lamellen te beschermen tegen beschadiging van deeltjes die met het water worden opgehapt. Van deze nood(zaak ) een deugd gemaakt bij filterfeeders.
Dit systeem verder verfijnd tot planktonzeef. Voor brasem aangetoond dat via listig manoeuvreren dit filter instelbaar is. Zowel voor plankton eten als uitzeven bodemdeeltjes. Ook bij haringachtigen wordt dit systeem gebruikt.
Overigens zijn er ook planktoneters die watervlooien ‚‚n voor ‚‚n ophappen als zichtjagers
(spiering, stekelbaars). Volgens optimaal foerageertheorie kan dit alleen als vissen klein zijn, anders levert dit te weinig energie op.
Verder hebben bodemfoerageerders als brasem en kolblei uitstulpbare lippen.
Blankvoorn, en andere karperachtige keeltanden waarmee schelpdieren gekneusd kunnen worden (de vorm van deze keeltanden is een goed determinatiekenmerk, kan alleen met gedode vis).