De wereld van de Nederlandse zoetwatervissen

    Het materiaal voor deze rubriek is aangeleverd en geschreven door Henrik W. de Nie een specialist op het gebied van zoetwatervissen.
    Hij is o.a. auteur Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen en rode lijst bedreigde en kwetsbare zoetwatervissen.

    E-Mail: Henrik W. de Nie
    Site: Zoetwatervissen


    De Hieronderstaande tekst heeft eerder in Natuurop het Web nr 19 en 20 gestaan en in een andere vorm op deze site. Nu zijn de verhalen samengevoegd tot één geheel.

    Er is op deze site de volgende vissen informatie te vinden

    De Taxonomische indeling van vissen
    De Oecologische indeling
    In Nederland veel gebruikte indeling voor zoetwatervissen
    Levenscyclus en voedsel
    Rode lijst van de Nederlandse zoetwatervissen
    Belangrijkste kenmerken van de meeste zoetwatervissen
    Vissers-latijn Vreemde namen van zoetwatervissen



    Taxonomische indeling

    • De totale Nederlandse visfauna omvat 185 soorten, de vissen uit de (zoute) kustwateren meegerekend. De zoetwatervisfauna bestaat uit 45 inheemse soorten. Over de hele wereld zijn er 20.000-25.000 soorten vissen. Ongeveer 40% is zoetwatervis, hoewel 1% van aardse watervoorraad uit zoet water bestaat.

    • Alle prikken en vissen behoren tot het fylum Chordata, dit zijn alle dieren met een ruggenmergstreng. Hierin onderscheidt men twee groepen (1) Acraniata, zonder schedel en hersens en (2) Craniata, eigenlijke gewervelden, met schedel, rugwervels en hersens. Prikken, haaien (kraakbeenvissen), beenvissen, amfibie‰n, reptielen, vogels en zoogdieren zijn alle gewervelden.

    • Deze worden weer verdeeld in de superklasse Agnatha (kaakloze) waartoe de prikken behoren en de superklasse Gnathostomata waarin de haaien en alle andere vissen. Hierbinnen onderscheidt men de klasse kraakbeenvissen (haaien en roggen) en de klasse beenvissen (alle andere besproken vissen).

    • In dit verband is het opmerkelijk dat men traditioneel de prikken, haaien en beenvissen altijd in een adem noemt als "vissen". De eveneens aparte klassen van reptielen en amfibie‰n daarentegen worden veel vaker strikt gescheiden. Prikken zijn echter minder verwant aan de beenvissen dan vogels met zoogdieren.

      In de onderstaande tabel is goed te zien bij welke ordes bepaalde vissen horen.

    Taxonomische indeling Nederlandse zoetwatervissen
    Superklasse Kaaklozen (Agnatha)
    Orde prikachtigen
    Petromyzontiformes
    BeekprikLampetra planeri
    RivierprikLampetra fluviatilis
    ZeeprikPetromyzon marinus
    Superklasse Kaakmondigen (Gnathostomata)
    Klasse beenvissen (Osteichthyes)
    OrdeNederlandse naamWetensch. naam
    BaarsachtigenBaarsPerca fluviatilis
    PosGymnocephalus cernuus
    SnoekbaarsStizostedion lucioperca
    ZonnebaarsLepomis gibbosus
    HaringachtigenElftAlosa alosa
    FintAlosa fallax
    KabeljauwachtigenKwabaalLota lota
    KarperachtigenAlverAlburnus alburnus
    BarbeelBarbus barbus
    BermpjeBarbatula barbatulus
    BittervoornRhodeus sericeus
    BlankvoornRutilus rutilus
    BlauwbandPseudorasbora parva
    BlauwneusVimba vimba
    BrasemAbramis brama
    ElritsPhoxinus phoxinus
    Gestippelde alverAlburnoides bipunctatus
    GiebelCarassius auratus gibelio
    GraskarperCtenopharyngodon idella
    Grote modderkruiperMisgurnus fossilis
    KarperCyprinus carpio
    Kleine modderkruiperCobitis taenia
    KolbleiAbramis bjoerkna
    KopvoornLeuciscus cephalus
    KroeskarperCarassius carassius
    RiviergrondelGobio gobio
    RoofbleiAspius aspius
    RuisvoornRutilus erythrophthalmus
    SerpelingLeuciscus leuciscus
    SneepChondrostoma nasus
    VetjeLeucaspius delineatus
    WindeLeuciscus idus
    ZeeltTinca tinca
    MeervalachtigenBruine dwergmeervalAmeiurus nebulosus
    Zwarte dwergmeervalAmeiurus melas
    MeervalSilurus glanis
    PalingachtigenPaling (rode aal)Anguilla anguilla
    PlatvissenBotPlatichthys flesus
    SchorpioenvissenRivierdonderpadCottus gobio
    StekelbaarzenDriedoornige stekelbaarsGasterosteus aculeatus
    Tiendoornige stekelbaarsPungitius pungitius
    SteurachtigenSteurAcipenser sturio
    TandkarpersGupLebistes reticulatus
    ZalmachtigenAmerikaanse hondsvisUmbra pygmaea
    BeekforelSalmo trutta fario
    BronforelSalvelinus fontinalis
    HoutingCoregonus oxyrinchus
    RegenboogforelOncorhynchus mykiss
    SnoekEsox lucius
    SpieringOsmerus eperlanus
    VlagzalmThymallus thymallus
    ZalmSalmo salar
    ZeeforelSalmo trutta trutta


      Naar het begin van deze tekst

      Oecologische indelingen voor vissen

      Zone-indeling
      Dit is een klassieke indeling, afkomstig uit Midden-Europa (Smolian 1920, geciteerd in Schouten en Quak 1993). De indeling gaat uit van het ecosysteem van de rivier, bezien van de oorsprong als gletsjerbeek tot het mondinggebied met getijdenzone en overgangen naar zout water. Het ideale systeem waarin de mens nog weinig aan de rivier geknutseld en verpest had. Omdat deze ideale situatie in West-Europa praktisch voorbij is, heeft de indeling weinig zin. De typische Nederlandse, vaak kunstmatig ontstane watertypen zoals sloten, kanalen, meren en plassen niet in dit systeem te passen. Het zonesysteem onderscheidt zes segmenten. Vissen behoren niet strikt tot een bepaalde zone. Er is veel overlap, sommige vissoorten kunnen in verschillende zones voorkomen.

    1. Forelzone
      Hierin staat de beekforel centraal. Voor bergbeken geldt dat er ook jonge zeeforel en zalm voorkomt. Vaak wordt de forelzone weer opgesplitst in diverse typen die voor Nederland helemaal niet relevant zijn. Het water hoort voedselarm en koud te zijn. De bodem bestaat uit schoon grind, zand en plaatselijk in rustige binnenbochten wat slib. Mogelijk voldeden een paar zijbeken van de Geul in Zuid-Limburg aan de typering forelzone. Deze beken zijn verloederd door vermesting, aantasting beekbegeleidende vegetatie (nadelige invloed op onder meer watertemperatuur), en daling grondwaterstand waardoor afvoer slecht gebufferd is.

    2. Vlagzalmzone
      Hier is de vlagzalm dominant, er zijn weer vele, vaak ook in andere zone voorkomende begeleidende vissoorten. Mogelijk behoort de Geul hiertoe. Het water is iets voedselrijker, er is afwisseling van grind, zand en slib en de beek in wat dieper en breder dan in de forelzone. Aan de restauratie van de Geul wordt gewerkt.

    3. Barbeelzone
      In deze zone is de barbeel prominent, met weer een groot aantal begeleidende soorten. Waarschijnlijk kan alleen de Maas tussen de zuidgrens met België en Maasbracht, de zogenaamde Grensmaas tot de barbeelzone gerekend worden. Dit is de middenloop van een rivier door zacht glooiend heuvelland. Het water is iets voedselrijker dan in de vorige zone. Schone grindbodems (grindbanken) zijn voor de typische vissoorten een belangrijke voorwaarde voor het voltooien van de levenscyclus. Ook hier zijn ernstige problemen met milieuvijandige stoffen in het water, vermesting en heel nadelig voor vis een slechte watervoering. Er lopen twee kanalen evenwijdig aan de rivier en in tijden van waterschaarste wordt het water eerst door de kanalen geleid.

    4. Brasemzone
      Deze zone heeft de brasem als dominerende soort. Het is oorspronkelijk echter een zeer soortenrijke gemeenschap. De verbraseming, een toestand waarin de brasem fysiek (qua aantal en /of biomassa) domineert is een door overbemesting ontstane toestand.
      Traditioneel de zone van de laaglandrivier. Het water is hier van oorsprong al enigszins voedselrijk water. Tot dit type behoren ook stilstaande wateren die ontstaan zijn door natuurlijke bochtafsnijdingen of plassen in overstromingsvlakten die een groot deel van het jaar van de stromende rivier zijn afgesloten. Het prehistorische Nederland (Holoceen) moet heel rijk geweest zijn aan dit soort wateren. Dit landschapstype, waarin verlanding, dus veenvorming optrad, was zeer dynamisch. In de ruimte en de tijd was er afwisseling in habitats: kale zandbanken, steile oevers, luwteplaatsen met ondergedoken waterplanten, rietmoerassen en ooibossen.

    5. Hoge brakwaterzone
      Hier meer kenmerkende soorten: pos, spiering, paling en driedoornige stekelbars. Dit is ook een zeer dynamisch landschap. Hier stroomde de rivier zeer langzaam en werd slib afgezet. Hier vond ook verlanding (veenvorming ) plaats, dus rijke vegetaties. Soms was het water brak, dus de vissoorten die hier leefden waren daaraan aangepast. Zoetwatervissoorten als pos, blankvoorn, kolblei, snoek en kwabaal kunnen leven in brak water. Verder was deze zone belangrijk voor de trekkende vis.

    6. Lage brakwaterzone
      Net als in de vorige zone zijn hier meer soorten. Steur, bot, zee- en rivierprik behoren tot de kenmerkende soorten ten opzichte van de hoge brakwaterzone. Hier was de invloed van de zee voortdurende merkbaar. Dit is het (oorspronkelijke) estuarium met zand- en slibbanken, afgewisseld door diepe geulen waarin de stroomsnelheid door eb en vloed werd beïnvloed. Hier lagen de paaigebieden van de trekkende spiering in de diepe geulen en in ondieptes met grind en zand paaiden de fint. Larven van deze haringachtige vis waren aangepast aan deze habitat door een eigen foerageerritme afgestemd op eb en vloed. Bij sterke stroming verbleven ze dicht bij de bodem, bij opkomend tij, als de afstroming door de rivier en het opkomende zoute water elkaar in evenwicht hielden, werd er gefoerageerd. Zeegrasvelden en zandplaten met een typische zoutflora behorend tot dit type.

      Helaas is deze hele indeling geschiedenis geworden, maar kan in de toekomst een rol spelen als streefbeelden voor ecologisch herstel. Er zij al heel wat bomen gesneuveld voor de vele nota's van overheidsbiologen gewijd aan ecologisch herstel.


    Naar het begin van deze tekst

    In Nederland veelgebruikte indeling voor zoetwatervissen

    Visserij-onderzoekers in Nederland hanteren vaak een systeem dat min of meer is afgeleid van het zone-systeem. Het grote voordeel van dit systeem is dat iedere vis uniek gekarakteriseerd wordt.

    1. Eurytope soorten (Eu)
      Dit begrip betekent hetzelfde als euryoek (Grieks: eury = wijd; oikos = huis; Latijn: topus = plaats) Eurytope vissoorten komen voor over een breed traject van milieugradiënten. Alle stadia van deze vissoorten komen zowel in stilstaand als stromend water voor. Tot deze groep behoren de meest voorkomende soorten.

    2. Limnofiele soorten (Li)
      (Grieks: limne = poel, stilstaand water; philein = beminnen) Dit zijn soorten waarbij alle levensstadia gebonden zijn aan stilstaand water met een rijke begroeiing Deze soorten zijn voornamelijk de begeleidende soorten van de brasemzone, behalve de snoek die ook in klein stromend water voorkomt, mits daar ook planten of andere mogelijkheden voor schuilgelegenheid is.

    3. Obligaat rheofiele soorten (Ro) Rheofiel betekent stroomminnend (Grieks: rheëin = stromen). Alle levensstadia zijn gebonden aan stromend water, verbinding met zee niet noodzakelijk. Hier treffen we beekforel, vlagzalm en barbeel aan, de kensoorten van de bijbehorende zones met stromend water en de begeleidende soorten waarvan er ook een drietal (kopvoorn, barbeel en sneep) wel eens afdalen in de lagere stroomgebieden van de rivier die tot de brasemzone behoren.

    4. Partieel rheofiele soorten (Rp) Sommige levensstadia zijn gebonden aan stromend water. Dit water moet dus in verbinding staan met beek of rivier. Deze vissoorten zoeken in de paaitijd stromend water op, maar verblijven als volwassen vis veelal in stilstaand water. Overigens kunnen zonnebaars, kwabaal en de dwergmeervallen zich ook voortplanten in stilstaand water.

    5. Rheofiel zoet - zout (Rz) Dit zijn stroomminnende soorten die van zout naar zoet trekken om te paaien, dit zijn de anadrome soorten zoals zalm, zeeforel, steur en houting. Daarentegen zijn er soorten als paling en bot die van zoet naar zout trekken om te paaien (Grieks: ana = naar boven; kata = naar beneden; dromein = rennen)

    Vogel-vis (M.C. Esher)

    In Nederland veel gebruikte indeling voor zoetwatervissen
    Nederlandse naamLatijnse naamType nl
    Paling (rode aal)Anguilla anguillaEu
    BrasemAbramis bramaEu
    KolbleiAbramis bjoerknaEu
    RoofbleiAspius aspiusEu
    KarperCyprinus carpioEu
    BlankvoornRutilus rutilusEu
    MeervalSilurus glanisEu
    PosGymnocephalus cernuusEu
    BaarsPerca fluviatilisEu
    SnoekbaarsStizostedion luciopercaEu
    KroeskarperCarassius carassiusLi
    GiebelCarassius auratus gibelioLi
    GraskarperCtenopharyngodon idellaLi
    VetjeLeucaspius delineatusLi
    BittervoornRhodeus sericeusLi
    RuisvoornRutilus erythrophthalmusLi
    ZeeltTinca tincaLi
    Kleine modderkruiperCobitis taeniaLi
    Grote modderkruiperMisgurnus fossilisLi
    SnoekEsox luciusLi
    Amerikaanse hondsvisUmbra pygmaeaLi
    GupLebistes reticulatusLi
    Tiendoornige stekelbaarsPungitius pungitiusLi
    BeekprikLampetra planeriRo
    BlauwneusVimba vimbaRo
    Gestippelde alverAlburnoides bipunctatusRo
    BarbeelBarbus barbusRo
    SneepChondrostoma nasusRo
    KopvoornLeuciscus cephalusRo
    SerpelingLeuciscus leuciscusRo
    ElritsPhoxinus phoxinusRo
    BermpjeBarbatula barbatulusRo
    RegenboogforelOncorhynchus mykissRo
    BronforelSalvelinus fontinalisRo
    BeekforelSalmo trutta farioRo
    VlagzalmThymallus thymallusRo
    RivierdonderpadCottus gobioRo
    AlverAlburnus alburnusRp
    RiviergrondelGobio gobioRp
    BlauwbandPseudorasbora parvaRp
    WindeLeuciscus idusRp
    Bruine dwergmeervalAmeiurus nebulosusRp
    Zwarte dwergmeervalAmeiurus melasRp
    KwabaalLota lotaRp
    ZonnebaarsLepomis gibbosusRp
    ZeeprikPetromyzon marinusRz
    RivierprikLampetra fluviatilisRz
    SteurAcipenser sturioRz
    ElftAlosa alosaRz
    FintAlosa fallaxRz
    SpieringOsmerus eperlanusRz
    HoutingCoregonus oxyrinchusRz
    ZeeforelSalmo trutta truttaRz
    ZalmSalmo salarRz
    Driedoornige stekelbaarsGasterosteus aculeatusRz
    BotPlatichthys flesusRz
    HarderLiza spec.Rz

    Naar het begin van deze tekst

    Levenscyclus, voedsel

    Inleiding
    Het belang van vis als bio-indicator hangt nauw samen de habitateisen van vis.
    Vooral abiotische factoren als stroming en de morfologie van beken, rivieren en plassen spelen daarbij een rol. Een aantal vissoorten zijn in dat opzicht indicerend. Het is vooral het ontbreken van de dynamiek in het aquatisch milieu geweest die veel vissoorten liet verdwijnen.

    Levenscyclus
    Bij de inheemse zoetwatervissoorten worden de eieren (kuit) uitwendig bevrucht met sperma (hom).
    Er zijn levendbarende vissoorten: inheems, in zout kustwater de puitaal (Zoarces viviparus); uitheemse vissoort de gup.
    Sommige soorten zoals zeeforel, zalm, stekelbaars en meerval maken een nest en kennen broedzorg. Alleen bewaking van eieren door mannetje komt voor bij snoekbaars en vetje.
    Bittervoorn legt eieren in zoetwatermossel. De rivierdonderpad plakt eieren onder stenen.
    Larve fase is de vorm die het visje heeft tussen uitkomen uit het ei totdat het uiterlijk heeft van miniatuur volwassen vis. Dit kan lang duren (paling) of heel kort (karper). Palinglarven leven zelfstandig in zee, veel vislarven zijn zeer kwetsbaar, teren op dooierzak en leven verborgen tussen grind (rheofiele vis) of planten.

    Visserijkundige termen:

    • Jaarklasse: alle vissen bepaalde soort in hetzelfde jaar geboren
    • Gewicht als functie van de tijd S-vormig.
    • Sterfte in de tijd is exponentieel aflopende curve
    • Product is optimumcurve
    • "Oogstmomenten: " te vroeg - onderbenutting groeipotentieel; te laat- verlies vangst, maar grotere vis.

    Plaats in de voedselpiramide
    Productie is de hoeveelheid biomassa, geproduceerd per jaar, uitgedrukt in drooggewicht per vierkante meter wateroppervlakte. Vis lijkt kwantitatief onbelangrijk in het aquatisch ecosysteem. In Tjeukemeer (snoekbaars, brasem type) 93% van de biomassaproductie plantaardige productie, 7% dierlijke productie, van dierlijke productie 82% ongewervelde (zooplankton en macrofauna), slechts 18% vis. Hiervan 90% door snelgroeiende nuldejaars vis en slechts 10% (0,11% van de totale biomassaproductie) voor visser interessante vis zoals snoekbaar en paling.
    Hoog in voedselpiramide, dus ophoping van Hg en PCB's, daarom geschikt als milieu-indicator.

    Voedsel zoeken
    De vorm van het lichaam, de bek en de zintuigen op de kop zijn van belang bij het foerageren. Optimaal foerageren is zoeken en vinden van de juiste verhouding tussen de hoeveelheid energie noodzakelijk om voedsel te vergaren en wat het voedsel levert.
    Meeste vissen eten watervlooien (kleine crustacee‰n als Daphnia) als ze klein zijn, later mollusken (slakjes, kleine zoetwatermossels), wormen, grotere crustaceën (Mysis, Asellus, gammariden). Erg populair: larven van vliegen en muggen, ephemeroptera (haften, in beken)(vliegvissers!) .

    • Zicht
      Een aantal vissoorten is uitgesproken oogjager, vaak gaat dit gepaard aan een bovenstandige bek.
      Deze vissoorten kunnen onder andere insecten van wateroppervlakte ophappen: alver, gestippelde alver, vetje, rietvoorn en spiering.
      Niet altijd bovenstandige bek: stekelbaarzen, zalmachtigen. Ook bodemfoerageerders met oog: rivierdonderpad, misschien pos.
      Oog niet alles. Snoek hoewel bekend als oogjager, kan ook zonder. Snoekbaars, met opvallend groot oog succesvol in troebel, donker water.

    • Reuk, tast
      Reuk speelt bij paling belangrijke rol. Aantal plooien in reukorgaan is 50-100. Regenboogforel (geen bijzondere vis in dit opzicht) 15, kwabaal, ook vis waarbij reuk een rol speelt: 30.

      Zijlijnsysteem speelt ook rol bij vis. Blinde snoek blijft in leven. Erg opvallend bij vooral bodem foeragerende vissen de tastdraden aan de bek: Zoals bij steur, barbeel, karper, riviergrondel, zeelt, modderkruipers, bermpje en meervallen (tevens belangrijk determineerkenmerk). Meervallen zijn extra interessant omdat zij gebruik maken van een elektrisch veld (vgl. sidderaal uit Orinoco, niet verwant aan paling, noch aan inheemse meerval).

    • Filtersystemen en keeltanden
      Feitjes over kieuwen: bedoeld voor O2 -opname uit het water. De kieuwen bestaan uit steunende botstructuur de kieuwboog, met aan de ene kant de kieuwboogaanhangsels en aan de andere kant de kieuwlamellen. De lamellen zijn doorbloed en hier vindt gasuitwisseling plaats, de aanhangsel dienen om de lamellen te beschermen tegen beschadiging van deeltjes die met het water worden opgehapt. Van deze nood(zaak ) een deugd gemaakt bij filterfeeders.

      Dit systeem verder verfijnd tot planktonzeef. Voor brasem aangetoond dat via listig manoeuvreren dit filter instelbaar is. Zowel voor plankton eten als uitzeven bodemdeeltjes. Ook bij haringachtigen wordt dit systeem gebruikt.
      Overigens zijn er ook planktoneters die watervlooien ‚‚n voor ‚‚n ophappen als zichtjagers (spiering, stekelbaars). Volgens optimaal foerageertheorie kan dit alleen als vissen klein zijn, anders levert dit te weinig energie op.
      Verder hebben bodemfoerageerders als brasem en kolblei uitstulpbare lippen. Blankvoorn, en andere karperachtige keeltanden waarmee schelpdieren gekneusd kunnen worden (de vorm van deze keeltanden is een goed determinatiekenmerk, kan alleen met gedode vis).


            Naar het begin van deze tekst

            Terug naar homepage Terug naar de homepage

            Terug naar Natuur op het Web Terug naar Natuur op het Web

            © Natuur op het web hm juni 1999

            Laatste mutatiedatum 20-01-2000