Hongarije-reis 2004 van Vogelwerkgroep Koudekerk / Hazerswoude
Inhoud:
Inleiding
verslag 1e dag vrijdag 30 april: Woudaapjesdag
verslag 2e dag zaterdag 1 mei: Spechtendag
verslag 3e dag zondag 2 mei: Grote trappendag
verslag 4e dag maandag 3 mei: Rode rotslijsterdag
verslag 5e dag dinsdag 4 mei: Rietvogeldag
verslag 6e dag woensdag 5 mei: Oeraluildag
verslag 7e dag donderdag 6 mei: Roodpootvalken en scharrelaardag
verslag 8e dag vrijdag 7 mei: Watervogeldag
verslag 9e dag zaterdag 8 mei: Budapestdag
overzicht waargenomen vogels
overzicht waargenomen overige dieren met foto's
overzicht waargenomen planten met foto's
Verdere links op deze site
Inleiding
Van vrijdag 30 april t/m zaterdag 8 mei 2004 zijn 22 leden van de vogelwerkgroep Koudekerk / Hazerswoude e.o. naar Noord Oost Hongarije geweest. Een deel van de Hongarije-gangers (9 personen) was met de trein gekomen via Duitsland met een overstap in München en Frankfurt en door Oostenrijk naar Boedapest. De treinreizigers waren op donderdag 28 april al vertrokken en keerden op zondag 9 mei weer terug. Een meerderheid (13 personen) verkoos de snelle methode met het vliegtuig.
In Hongarije zijn wij drie dagen met de hele groep erop uit getrokken en gedurende vier dagen bezochten we met de halve groep vier verschillende locaties. De andere groep deed hetzelfde alleen in een andere volgorde.
Wij logeerden in tenten en tweepersoonskamers bij:
Farm lator
Van Rob en Barbara
3425 SÁLY-LATOR PUSZTA
RÓZSAVÁRI UT 95
HONGARIJE
|
Het is van oorsprong een boerderij geweest, maar is nu verbouwd tot een fraai gelegen vakantieverblijf. Met verschillende gebouwen met tweepersoonsslaapkamers en kampeermogelijkheden.
Wanneer je volpensioen boekt ben je verzekerd van goed verzorgde maaltijden. Inclusief een lunchpakket om in het vrije veld te nuttigen. Rob is bioloog en gespecialiseerd in vogels en vlinders. Zijn vrouw Barbara is kunstenares.
De bedoeling van dit verslag is natuurlijk dat de deelnemers het kunnen nalezen. Maar het is zeker ook bestemd voor mensen die interesse hebben in een vogelreis naar het natuurrijke Hongarije. Daarom worden er in het verslag haast geen namen genoemd van mensen die meegegaan zijn. Voor drie wil ik echter een uitzondering maken. Dat zijn de voortreffelijke gidsen Rob en Balazs en natuurlijk Jan onze onvolprezen organisator van deze fantastische vogelreis.
Hongarije is in vele opzichten nog een oorspronkelijk land met een heel gevarieerd landschap. Een totale oppervlakte van 93.033 km2 (Dat wil zeggen 2,3 maal zo groot als Nederland). Het heeft fraai gelegen sfeervolle dorpjes en mooie steden. De taal is een probleem, want voor een toerist valt er van het Hongaars niets te maken het heeft verwantschap met het Fins, Laps en Ests (Fins-Oegrische talen.). Er zijn niet al te veel Hongaren die Duits of Engels spreken. Dit geldt vooral op het platteland in de grote steden zal dit wel meevallen.
Het weer was in de periode dat we er zaten vrij goed. Het land heeft een gematigd landklimaat, dus warmere zomers en koudere winters dan bij ons. In deze lente-week hebben we op één regenachtige dag en enkele kleine buitjes na mooi weer gehad. In ieder geval goed vogelweer. Het verslag geeft op chronologische wijze weer wat we meegemaakt hebben in deze week in Hongarije. Iedere dag is genoemd naar de wat mij betreft meest spectaculaire waarneming van die dag.
hm mei 2004
1e dag vrijdag 30 april: Woudaapjesdag
Koninginnedag in Nederland gekoppeld aan een week vrij voor de meeste scholen. Leverde op Schiphol een enorme drukte op. Tegen achten was de hele groep compleet en konden we inchecken, nadat we Bert ons aller voorzitter hadden gefeliciteerd met zijn verjaardag. Het baliepersoneel was echter weinig tolerant met overgewicht van de koffers. Nauwlettend werd het wijzertje van de weegschaal in de gaten gehouden. Een tweepersoonstent kan dan de wijzer flink doen doorslaan en dat betekent extra dokken. Dan maar bij de handbagage, maar ook dat was niet zo'n goed idee want alle haringen werden meteen herkend als potentiële steekwapens. Uiteindelijk is alles toch nog op zijn pootjes terechtgekomen.
Om 10.25 kozen we het luchtruim in een Boeing 737-400 vlucht MA 661 van de Hongaarse luchtmaatschappij Malév. We werden gedurende de reis ruim voorzien van eten en drinken. Om precies te zijn 1 uur en 47 minuten later landden we op het vliegveld Ferihegy bij de hoofdstad Boedapest. Vanuit het vliegtuig kon je al zien dat Boedapest een hele grote stad is. Dat kan ook niet anders met ruim 2 miljoen inwoners. Vanuit het vliegtuigraam kon je zien dat de Donau (totale lengte = 2780 km) de stad in tweeën verdeelde, andere goed herkenbare zaken waren bruggen, kastelen, kerken, flatgebouwen en een voetbalstadion. Het vliegveld is duidelijk veel kleiner dan Schiphol, maar toch duurde het nog even voordat we de douane voorbij waren. Bij de bagageband ging opeens een luikje dicht en even bedachten wij dat het misschien lunchtijd was. Maar het viel allemaal erg mee, kort daarna mochten we de koffers van de lopende band plukken.
We werden opgewacht door Rob onze gastheer en gids voor de komende week. Meteen uit het vliegveld zagen we de eerste boerenzwaluwen die ook nog een nestje hadden gemaakt onder een betonnen brug. Ook maakten enkele huismussen deel uit van het ontvangstcomité. We maakten kennis met onze Hongaarse chauffeur en beklommen de bus waarin we de komende week menig kilometertje zouden afleggen. Bij het vliegveld al de eerste Hongaarse vlaggen. De nationale kleuren rood, wit en groen symboliseren de begrippen; kracht, geloof en hoop. We reden eerst door Boedapest zelf en verbaasden ons over de teksten die we mochten aanschouwen op uithangborden, etalageruiten e.d. Alle zinnen zijn zeer ruim voorzien van geaccentueerde letters en uitzonderlijk lange woorden. Vanaf de grote weg blijkt dat dit deel van Hongarije vrij vlak is. Later werd het landschap iets glooiender. Waar het landschap in Nederland wordt gedomineerd door molens zijn hier de watertorens karakteristiek. Het gaat om bolvormige bouwsels die prijken op hoge palen. Alsof men overal zilveren lollies in de grond heeft gestopt. Enkele bomen zijn rijkelijk begroeid met Maretakken die vanuit de rijdende bus in eerste instantie op vogelnesten leken. De eerste ooievaars, buizerds, kieviten en ook enkele reeën verbleven in de weilanden die afgewisseld werden door bloeiende gele koolzaadvelden.
Vlak bij het plaatsje Saly was een meertje, hier konden voor het eerst de telescopen in actie komen. We hoorden volop de zang van de grote karekiet en ook vernamen we het geluid van de roodbuikvuurpad, bij de oud Polen reizigers beter bekend bij zijn "zondagse naam" Bombina bombina. Een kwartet bruine kiekendieven vloog rond. Tussen het riet ontwaarde Wouter een reigerachtige vogel, was het een roerdomp? Later gaf het dier wat meer van zijn identiteit prijs het bleek een echte Woudaap te zijn, die zich voor ons probeerde te verstoppen. Uit eerbied voor de ontdekker werd de vogel tijdelijke tot "Woutaap" omgedoopt. We waren nu nog maar een minuut of tien rijden van farm Lator verwijderd. Daar aangekomen bleek dat de treinreizigers hier al drie uur vertoefden. Farm Lator ligt in het romantische dorpje Lator, dat uit slechts 19 huizen bestaat. Het ligt in het zuidoosten van het Nationaal Park Bükk. De hele kampeerboerderij is zeer sfeervol gelegen in een natuurrijke omgeving. Nadat iedereen de slaapkamers had bezocht en de tenten waren opgezet, konden we de reiservaringen met elkaar uitwisselen. De treinreizigers hadden ook een voorspoedige reis gehad met een spannende overstap in Frankfurt. Om half zeven konden we voor de eerste keer met succes kennis maken met de zeer aanbevelenswaardige Hongaarse keuken. De rest van de avond vloog om mede doordat wij konden toosten op de gezondheid van Bert. Later begeleidde een dappere nachtegaal ons vocaal naar de slaapruimtes
2e dag zaterdag 1 mei: Spechtendag
Deze dag zou als hoofdthema spechten hebben. Voor de eerste waarnemingen hoefden we ook niet ver te gaan. In de boomgaard vlak naast ons onderkomen waren vele spechten vaste gasten.
Als eerste verscheen de draaihals, die ook tot de spechten gerekend wordt. Draaihalzen zijn veel kleiner dan een merel en zijn weinig opvallend van kleur. Dit heeft voor hen het voordeel dat ze niet makkelijk opvallen als ze op een tak of tegen een stam aan zitten. Voor een spechtensoort heeft hij een klein snaveltje. Draaihalzen danken hun wonderlijke naam aan het feit dat zij bij het baltsen allerlei vreemde bewegingen met hun hals maken en soms laten zij de kop hangen zodat het lijkt dat de nek gebroken is. Bij schrik zullen zij eveneens met de hals draaien en kronkelen. In deze tijd van het jaar wanneer zij pas terug zijn van hun verre reis uit Afrika maken ze veel geluid. Na het broedseizoen zijn zij veel zwijgzamer. Ze eten voornamelijk insecten, vooral mieren staan hoog op hun menukaart. Nummer twee van de spechtenfamilie was de middelste bonte specht. Een paartje vloog in golvende vlucht achter elkaar aan. Het ging te snel om ze echt goed te bekijken. De derde specht uit de boomgaard deed het veel rustiger aan. Het ging nu om een kleine bonte specht, een vrouwtje dat in de bekende spechten zit tegen een boom was "geplakt". Het vogeltje is net zo groot als een mus en de kleuren van het wijfje zijn uitsluitend zwart en wit. Na een klein uurtje verlieten we de bloeiende boomgaard waar ook nog de nodige ringmussen waren gesignaleerd. De tocht ging nu richting Bükkgebergte.
Nationaal Park Bükk, zuidelijke uitlopers
Wandelen over de uitlopers van het Bükkgebergte, langs bosranden, door bos en over een zogenaamd ichnymbrietplateau. Farm Lator ligt precies op een oude breuklijn in de aardkost. De thermale baden in de omgeving getuigen van de voormalige vulkanische activiteit in dit gebied. De vulkanische plateau's zijn zo'n 200 miljoen jaar geleden ontstaan door enorme erupties van vloeibaar gesteente, dat nu als plateau's over de hele zuidelijke uitlopers van het Bükkgebergte ligt verspreid. Deze ondergrond wordt op veel plaatsen gebruikt voor wijnbouw, maar is in de omgeving van Lator begroeid met schrale graslanden. Met het Bükkgebergte voortdurend aan de horizon en omringd door een uitgestrekt niemandsland, nagenoeg zonder menselijke activiteiten, is deze wandeling een unieke ervaring die in grote delen van Europa ondenkbaar is geworden.
|
We wandelden door een bos en hoorden een fluiter. Wouter een erkend "fluiterlokker" mocht nu zijn kunsten vertonen. Het lukte wederom om het diertje dichterbij te krijgen, waardoor iedereen hem goed kon zien. Naderhand in het sterk glooiend landschap kwamen we bij een open vlakte. Voorzien van de nodige struiken. Op dit terrein zagen we een roodborsttapuit, maar ook een grauwe klauwier gezeten op het hoogste punt van zijn territorium. Verder een grauwe gors. Dit "grauwe" gezelschap werd opgevrolijkt door de komst van een appelvink die zich door de telescoop kamerbreed liet bekijken. De meest bijzondere waarneming van dat moment was de baltsvlucht van de sperwergrasmus. Een van de grootste zangers (Sylvia's) die deze week was gearriveerd. In de eerste week na zijn terugkomst wordt de hooggelegen zangplek steeds tijdelijk verlaten voor een korte horizontale zangvlucht. Na de eerste week is het over met deze korte vluchtjes en zal de gebandeerde vogel een steeds meer verborgen leven leiden. Voor ons betekende dat wij nu juist op het goede moment aanwezig waren. Degene die het geluk hadden hem even door de telescoop te zien, vertelden dat vooral de gele iris erg opvallend was.
's Middags vervolgden we onze weg door de bossen. Inmiddels hadden we ook al aardig wat vlinders gezien. O.a. de Koningspage, oranjetip en de ook de fraaie kolibrievlinder. Die als een mini kolibrie met zijn lange tong nectar uit de bloemen zuigt. Langs een struikgewas liep een hagedis de blauwe kop verraadde dat het om een smaragd hagedis ging. Later zagen we een zelfde soort in een boomstronk zitten op deze plek een vierde specht. De ook in Nederland algemene grote bonte specht. Maar de tocht ging verder, Langs een bospad hoorden we withalsvliegenvangers. Bij deze plek wees Rob ons op een groot ovale gat in een boom. Het was belangrijk dit gat goed in de gaten te houden. Ons geduld werd beloond want op een gegeven moment kwam er een zwarte kop uit te voorschijn.

Zwarte specht
Onmiskenbaar een zwarte specht. Het uitzicht werd een beetje belemmerd doordat een naastgelegen wilg haar donzige zaadjes aan de wind toevertrouwde. Zo leek het alsof een donzige "sneeuwstorm" langs het nest waaide. Toen wij langer wachtten vloog het fraaie dier zelfs even weg en belandde op de stam van een nabijgelegen boom. Je kon zien dat ze alleen maar een rood kruintje had. Dit betekende dat wij nu vrouw zwarte specht aan het begluren waren.
Het was nu omstreeks halfdrie in de middag en we werden voor de keus gesteld; terugrijden met de bus naar Farm Lator of dit zelfde doel bereiken via een wandeling van ongeveer twee uur. Vijf personen besloten wandelend de afstand te overbruggen. Tijdens deze wandeling o.a. een groepje staartmezen. Het bijzondere bij staartmezen in Hongarije is dat we te maken hebben met de witkopstaartmees. Deze zijn nominaat in dit deel van Europa. Verder viel het op dat de bossen hier rijkelijk voorzien zijn van wintereiken. Heel anders dan in Nederland waar de zomereik het beeld van de eikenbossen bepaalt. Onderweg nog enkele mooie vlinders; een boomblauwtje en een grote vos.
Later toen we weer op de boerderij rondliepen werd er nog een mini-excursie gegeven naar een boomgaard vlakbij. Hier konden we een kleine bonte specht zijn woning zien binnenvliegen. Deze mini-specht had een rode "pet " op zijn koppie. Het bewijs dat we nu met een mannetje te maken hadden. Verder zat er nog een appelvink tussen de bloeiende fruitbomen. Het is in Hongarije veel eerder donker dan in Nederland. Verder is er natuurlijk veel minder lichtvervuiling dan in Holland. Daarom konden wij na het eten nog even de telescopen op één van de twee aanwezige planeten zetten. Op die manier kon je heel goed de drie manen van Jupiter zien.
3e dag zondag 2 mei: Grote trappendag
Vandaag zouden we in twee verschillende groepen het Hongaarse land nader verkennen. Groep 1 zou zeer vroeg vertrekken en daarom moesten zij de wekker al om vijf uur laten aflopen. Onze groep (groep 2) Kon het opstaan nog een ander half uur uitstellen. Wij zouden vandaag vergezeld worden van Balazs een Hongaarse gids verbonden aan Ecotours die uitstekend Engels spreekt. Vandaag zou de reis gaan naar het beroemde Hortobágy.
Hortobágy
Vrijwel elke vogelaar kent de naam van het beroemde Hortobágy. Het is een van de beste vogelgebieden in Europa. In het Nationaal Park Hortobágy conserveert men 70.000 ha. typisch poestalandschap; droge steppen afgewisseld met wetlands. Het Hortobágy was het eerste natuurgebied in Hongarije dat de status van Nationaal Park kreeg. De voornaamste reden om dit gebied te gaan beschermen waren de vogels. In totaal zijn hier meer dan 330 soorten waargenomen. Er broedt een zeer respectabel aantal van maar liefst 160 soorten. Het steppegebied wordt opgefleurd of onderbroken door kleine bosjes, bestaande uit voornamelijk Olijfwilg en Acacia. Dit weidse, grotendeels ongestoorde land met hier en daar een akker is de typische biotoop voor de Grote trap.
|
We reden door dorpen en het viel op dat veel huizen voorzien waren van een versierde boom (meestal een berk). Gisteren was het 1mei en waarschijnlijk had deze versiering te maken met de 1 mei vieringen. Begraafplaatsen die je in elk dorp wel tegenkomt zijn allemaal rijk voorzien van bloemen. Verder zijn de dorpen ruim gezegend met ooievaarsnesten. Bijna de helft van de telefoonpalen is gedecoreerd met een vaak bewoond eibernest. Een enkele keer zagen we een kunstnest wat aan de zijkant besprenkeld was met een beetje kalk. Door deze imitatie poep probeert men deze volgens de overlevering gelukbrengende vogels te lokken.

Ooievaars op het nest
Bij de meeste appelboomgaarden waren de kronen gedeformeerd en wezen naar beneden. Deze groeiafwijkingen hebben de fruittelers bewust laten plaatsvinden. Men kan nu wat makkelijker de vruchten uit de toppen van de bomen plukken. De huizen van de mensen zien er over het algemeen kleurrijk en goed onderhouden uit met fraaie tuinen.
Er waren ons voor vandaag de nodige roofvogelwaarnemingen voorspeld. De eerste stootvogel die we zagen, was een biddende torenvalk en kort daarna een bruine kiekendief. Vlak voordat we bij de veerpont waren kregen we door een juveniele zeearend een prima vliegshow voorgeschoteld. De luchtgigant mistte een veer van één van zijn handpennen, dit was waarschijnlijk de belangrijkste reden waarom hij zo laag vloog. Het was een juveniel want zijn veren oogden vrij donker en ook ontbrak de witte staart die zo kenmerkend is bij volwassen zeearenden. Zonder zijn vleugels ook maar een moment te bewegen, zweefde de "vliegende deur" boven onze hoofden.
Met de pont staken we een brede rivier de Tisza (zijrivier van de Donau en tweede rivier van Hongarije) over. Rond 10.30 hadden we Hortobágy bereikt. Het is het eerste nationale park (1973) van Hongarije, vooral bekend vanwege de najaartrek van kraanvogels. In die tijd verblijven zo´n 100.000 kraanvogels in dit gebied. Wanneer zij overvliegen van hun slaap- naar voedselgebied moet dat een zeer indrukwekkend schouwspel zijn. Wij moesten met wat minder exemplaren genoegen nemen. Een groep van 14 kranen vloog voor ons de weg over, later nog een tweetal exemplaren. Ze vlogen zoals het "kranen betaamd" met gestrekte hals, duidelijk zagen we de rode vlek boven op hun kop. Tijdens dezelfde stop de eerste zwarte ooievaar en een lepelaar. Toen we verder reden passeerden we enkele boerderijen voorzien van enorm lange stallen. Ook zagen we enkele grote zilverreigers. We stopten bij een grote boerderij, die werd bewaakt door zeer grimmig uitziende honden. Ze hadden grote tanden en keken ons met fonkelende ogen aan en rukten aan de ketting waaraan ze vast zaten. 's Nacht mogen ze vrij rondlopen en het is zeker hier wordt niet ingebroken.
Achter de boerderij een zeer uitgebreid gebied. Kuif- en veldleeuweriken eisten als eerste onze aandacht. Maar dat was van korte duur. Want Balazs had het doel van onze stop in het vizier gekregen. Het ging om een arendbuizerd een adult exemplaar. Allereerst zagen we hem alleen in de verte, maar later kwam hij gelukkig dichterbij. Hij heeft een lichte kop en lichte staart en zwarte polsvlekken. Al deze eigenschappen waren waarneembaar bij het voor ons glijdende exemplaar. De naam is verwarrend je zou verwachten dat hij qua grootte precies tussen arend en buizerd in zit. Dat is niet helemaal waar het is een flinke buizerd dat wel, Maar komt toch nog niet in de buurt van bijvoorbeeld zee- of steenarend. Veel roofvogels hier in de buurt eten siesels (Citellus citellus) Dit is een marmotachtig knaagdier met een lengte van maximaal 23 cm. Siesels zijn echte steppebewoners, die niet westelijker voorkomen dan in het oosten van Oostenrijk. We verlieten de boerderij met parelhoenders en hangbuikzwijn. Met gevaar voor eigen leven toch nog een foto kunnen maken van de "gastvrije" honden, er was ook een speciaal uit Duitsland afkomstig ras met zwarte "leeuwenmanen".
Op een landelijk weggetje ontmoetten we twee loslopende nerveuze paarden. Gelukkig kon een boer ze naderhand naar veiliger gronden dirigeren.
Bij de volgende stop konden we een grote uitkijktoren beklimmen. Bij een poeltje zagen we grauwe ganzen, fraaie bekraagde kemphanen en een torenvalk vloog weg met iets groots in zijn bek. Vermoedelijk was dat een onfortuinlijke hagedis. Op een struikje zat een kleine klapekster. Onderweg was een jongen aan het vliegeren. Hij had zijn vlieger aan een soort werphengel bevestigd.
Wij waren nu bij een meertje terechtgekomen. Dit was een soort vogelparadijs. Aan de lopende band werden vogelnamen geroepen. Alsof ze bij opbod verkocht werden. De volgende gevederde vertegenwoordigers konden we op de lijst bijschrijven. Geelpootmeeuw, grote zilverreiger, kwak, ral- en purperreiger. Een noviteit voor de meeste van ons was de dwergaalscholver. Aanzienlijk kleiner dan de gewone "schollevaar", maar dat valt pas op als ze naast elkaar staan. Wel heeft de dwergaalscholver een veel snellere vleugelslag. Doordat de staart verhoudingsgewijs wat langer is lijkt het alsof de vleugels precies in het midden "gemonteerd" zijn. Wij hadden de lunchstop bij de visvijver gepland. Toen wij daar arriveerden zagen we grote paaiende karpers en vrijwel meteen werden we benaderd door enkele lieden. Die in onberispelijk Hongaars enkele zaken met ons wilden regelen. Gelukkig hadden we een tolk bij ons en Balazs vertelde dat de vissers wilden dat we ophoepelden. Zij waren bang dat wij er met hun broodwinning vandoor zouden gaan. We hadden weinig zijn om met de vissers te discussieren en besloten dat de dijkjes ook prima lunchmogelijkheden boden, bovendien hadden we zo uitzicht op de slikplaten. Dit was vooral het domein van de steltlopers; zwarte ruiters, kemphanen, wulpen, lepelaars en bonte strandlopers waren onze lunchgenoten. Ook liep er nog een forse vos over de zandplaat. We hadden zo genoeg energie opgedaan om verder allerlei interessante plekken van de Hortobágy te bezoeken.
Bij een museum nog een even een kaart van de omgeving gekocht. Je kon in euro´s betalen (een zeer geliefd betaalmiddel in Hongarije) alleen het wisselgeld wordt in Forinten uitgekeerd.
We reden nu een stukje langs een verkeersweg en zagen een groep van ongeveer 30 lepelaars op nog geen 10 meter van de bus. Helaas mochten we hier niet stoppen. Het had zeker mooie foto's opgeleverd. We kwamen nu bij een vogelhut met uitzicht op grauwe ganzen met jongen en ook nog een overblijvende smient en een zomertaling. Een ongebruikelijke combinatie van een typische winter- en zomereend. Maar in het voorjaar kan je alles verwachten. Over de hut vloog een roodpootvalk man gezegend met een roodbruine broek en vuurrode poten, die in de vlucht goed te zien waren. Boomvalken eten vooral veel vliegende insecten (o.a. grote libellen e.d.) Roodpootvalken kunnen net als torenvalken bidden (wiekelen) in de lucht en als boomvalken insecten vangen. Op de weg terug een zandmuur met gaten deze waren gegraven door de oeverzwaluwen die ook nog niet zo lang terug waren en met honderden langs hun zanderige "galerijflat" vlogen. Het was nu half 5 en het werd tijd om een tweede gids op te halen, want zonder deze man mochten we de poesta´s niet op. In het dorpje waar hij woont, zagen we weer enorm veel bewoonde ooievaarsnesten.
Inmiddels hadden we de poesta´s bereikt op het dak van een boerderij bevond zich een steenuiltje, toen we naar de telescopen zochten was dit mini-uiltje ineens verdwenen. Nu mocht de nieuwe gids aan het werk hij kende het gebied als zijn broekzak, het enige nadeel was dat hij alleen maar Hongaars sprak. Maar ondanks dat kregen we heel in de verte twee witte vlekjes in beeld. Deze gevederde stippen vertegenwoordigde het ultieme doel van ons poesta bezoek de grote trap. Bij deze vogels zijn de mannen een heel stuk groter en zwaarder dan de vrouwen. Mannen kunnen maximaal 16 kg wegen terwijl de vrouwen niet gauw zwaarder zijn dan 10 pond. Trappen behoren tot de zwaarste vogels die nog kunnen vliegen. Bij nog zwaardere vogels kom je bij de loopvogels terecht (emoes, struisvogels e.d.) en deze dieren zijn de vliegkunst niet meer machtig. Later in de bus hadden we super geluk. Want vlak voor ons voertuig bevond zich een grote trap die met machtige vleugelslagen van ons wegvloog. Wat een enorme kanjer was dat.
Maar aan deze vogeldag kwam geen einde. Voor de liefhebbers was er nog de waterrietzanger in de aanbieding. Dit vogeltje was alleen voorbestemd voor de echte diehards want om dicht bij zijn biotoop te komen, mocht je kiezen uit de optie barrevoets door bagger slik en water. Of je schoenen blootstellen aan dezelfde smurrie. Slechts twee van ons waren samen met het gidsenduo zo dapper om hun schoen- dan wel hun voetzolen te confronteren met "het slijk der aarde". De rest koos voor een derde mogelijkheid. Droge voeten doch een voortbestaan zonder waterrietzanger. Zelf behoorde ik ook tot de laatste categorie. In plaats van de eerder genoemde zangvogel, moesten wij genoegen nemen met snor en een roerdomp.
Het kwartet dapperen kreeg waar voor ze gekomen waren en ook nog als toegift een porseleinhoen. Inmiddels deed de zon pogingen om de laatste zonnestralen uit haar immer kleiner wordende lichaam te persen. Wij mochten in volle duisternis nog een anderhalf uur in de bus zitten. Dat betekende dat we nu het nachtleven van Hongarije mochten aanschouwen. Waarschijnlijk zal het er op de grote steden anders aan toe gaan, maar hier op het platteland hadden alle dorpsbewoners hun rolluiken laten zaken en zich daarmee volledig afgesloten van de duisternis. Je zag geen lampje branden. Tel daar bij op de zeer spaarzame of helemaal niet aanwezige straatverlichting en je waant je als toerist in een spookstad.
Wij kwamen tegen 10 uur bij Farm Lator aan. En vielen als hongerige wolven op het reeds gereedstaande avondmaal af. Er was nauwelijks communicatie mogelijk met de andere groep. Want daarvan lagen de meeste al op één oor. Er zijn slechtere dagen denkbaar.
4e dag maandag 3 mei: Rode rotslijsterdag
Om half negen zat ons groepje weer in de bus. Vanuit het rijdende vervoermiddel zagen we een paartje vliegende wielewalen. Vooral het mannetje was zeer opvallend een knalgeel lichaam en zwarte vleugels, met geen andere soort te verwarren. De wielewalen vlogen naar een boom. De bus snel aan de kant en de telescopen in de aanslag. Het leverde fantastische beelden op. Balazs vertelde nog een anekdote van een situatie van enkele jaren geleden. Hij stond toen ook te liften aan de kant van de weg met een telescoop op statief. Nadat hij een lift had gekregen hoorde hij op de autoradio dat er een snelheidscontrole was en als locatie werd verwezen naar de plek waar hij net had gestaan. Medeweggebruikers hadden hem in actie gezien met telescoop en men dacht dat de snelheid geregistreerd werd. Na een klein uurtje rijden bereikten wij de op één na grootste stad van Hongarije Miskolc (ongeveer 210.000 inwoners). Na hier de dorst van ons busje gelest te hebben gingen we verder naar het vulkanische Zemplén-gebergte dit is een stille streek met oneindige bossen en brede open valleien waar roofvogels jagen. De hoogste top is de Nagy-Malic (894 m.)
Bij het plaatsje Tallyan gingen we naar een steengroeve op zoek naar de rode rotslijster die hier zou bivakkeren. Een vreemd biotoop voor een vogel. Hier heerste flinke bedrijvigheid enorm grote vrachtwagens met wielen bijna zo groot als de achterwielen van een tractor reden af en aan. Terwijl hun tocht vergezeld werd door grote stofwolken. Op een iets hoger en minder stoffig gelegen deel hadden we een goed uitzicht op al deze logistieke nijverheid. Toch misschien niet zo´n gekke plek, want behalve zwarte roodstaart en ringmussen konden we ook twee raven begroeten. En toen al was het afgesproken kwam de hoofdrolspeler achter de "coulissen" vandaan. Gehuld in een rozebottelrode mantel afgezet met blauwe kap en witte rugvlek. De rode rotslijster (Let op de alliteratie) een schitterende vogel die zich volledig bewust was van het feit dat hij moest optreden voor groot publiek. Parmantig pareerde het dier langs de rotsen en verdween pas nadat er een onweerlegbare zekerheid was ontstaan dat iedereen het beeld van deze vogel op het netvlies had geprent. Ook de reptielen hadden één van hun kleurrijkste vertegenwoordigers op ons afgestuurd. Namelijk de smaragdhagedis, dit oogstrelende dier liet zich ook nog van dichtbij fotograferen.
Na de lunch niet ver van het ook bij scrabbelaars zo geliefde lommerrijke plaatsje Sátoraljaújhely (hiervan 3x de woordwaarde en je bent meteen de winnaar) gingen we naar een heel ander biotoop. We reden door de bossen, waartussen ook verschillende schitterende vakantiedorpjes lagen. En stopten bij een informatiebord. We werden welkom geheten door een grote gele kwik die wel heel dichtbij kwam. Later zagen we hem ook nog bij een beekje wat ook botanisch veel te bieden had. Zoals het beekbegeleidende plantje goudveil, de parasitaire schubwortel en zowel gele- als witte bosanemoon. Later bekeken we de in Nederland allang uitgebloeide echte sleutelbloem. Het feit dat de primula´s hier nog bloeiden geeft aan dat het hier in de vroegste voorjaarsmaanden nog te koud is. Naderhand wordt een inhaalslag georganiseerd en komt alles goed. Zoveel bloeiende planten oefenen natuurlijk ook aantrekkingskracht uit op vlinders. Ook hier de alom vertegenwoordigde oranjetipjes en verder stelde een fraaie rouwmantel ons gezelschap wel op prijs.
Maar vrees niet ook ornithologisch zaten we hier goed. Er vloog een specht niet ver van ons vandaan. Alleen het ging te snel om er een definitief naamkaartje aan te hangen. Geduld alleen kon de laatste twijfel wegpoetsen. Een kwartier wachten werd echter niet gehonoreerd, maar later toen we weer op dezelfde plek waren vond het dier de tijd gekomen om zich aan de anonimiteit te ontworstelen. Hij werd definitief door Balazs gedetermineerd als een witrugspecht. Deze specht is iets forser dan de grote bonte specht met als belangrijkste kenmerk een witte stuit net zoals bijvoorbeeld een gaai dat heeft. Verder zijn de vleugels meer gebandeerd dan bij de andere Dendrocopos soorten. Zijn snavel is ook iets langer dan die van de grote bonte. Na deze ontmoeting begonnen wij weer langzaam aan de terugtocht te denken.
We reden weer door kleurrijke dorpjes. Bij enkele plaatsjes werd het dorpsbeeld mede bepaald door een galerij van wijnkelders. We zaten inderdaad in een gebied waar men ook druiven teelt voor de wijn. Wat
ook heel veel in de dorpen gezien wordt dat zijn de rode telefooncellen zoals je die vroeger in Engeland ook zag. Met twee "snoertjes" waren deze rode communicatiezuilen verbonden met de draden van het telefoonnet.
Ook waren we nu weer getuige van een wegvliegende wielewaal. Toch grappig dat hier vogels als wielewalen en hoppen talrijker zijn dan bijvoorbeeld spreeuwen of huismussen. We passeerden een indrukwekkend kasteel gelegen tussen gele koolzaadvelden. Zo'n sfeervol geheel schreeuwde erom vereeuwigd te worden. Daarom besloten we tot een korte fotostop.

Het Hongaarse landschap met kasteel
Ineens doorbrak Balazs de stilte met de gehoorgangen strelende kreet: "a raptor". Wij wisten inmiddels dat deze klanken door hem zelden voor niets werd geuit. Het was duidelijk er cirkelde een grote "jongen rond". Het ging om een volwassen keizerarend. Iets kleiner dan een steenarend. Met bijna rechthoekige vleugels liet de reuze vogel zich op de thermiek rondzweven. Hij werd volop door de zon beschenen en hierdoor kon je ook heel duidelijk het lichte achterhoofd en dito schoudervlekken zien. Hoewel ze volgens de boeken licht-goudgeel van kleur behoren te zijn, leek het nu beschenen door de zon eigenlijk wit. Met De telescoop de vliegende reus volgen was nog wel te doen, maar het is heel lastig om het daarna aan iemand anders over te geven. Hij bleef rondcirkelen boven het kasteel en wij konden hem gedurende zeker 20 minuten belangstellend volgen.
Door dit niet geplande intermezzo waren we rond 20.00 uur pas terug, wat later dan aanvankelijk gepland, maar we hadden het er natuurlijk graag voor over.
5e dag dinsdag 4 mei: Rietvogeldag
Vandaag o.l.v. Rob een halve dag erop uit met de hele groep, Traditioneel om 08.30 verlieten wij de boerderij. Niet erg ver daar vandaan lag een grote vuilnisbelt. Het bleek dat er mensen op liepen. Het waren zigeuners die in Hongarije vaak tot de armste van de bevolking behoren. Waarschijnlijk probeerden ze op die manier nog wat handel bij een te sprokkelen. Ornithologisch begonnen we zoals we de vorige dag geëindigd waren met een keizerarend. Ook hier een adult. Een kwartier later wederom een "Imperial Eagle" we begonnen al te wennen aan het plankvormige silhouet. De adelaar werd achterna gezeten door een paartje kieviten. Het verschil in grootte was enorm. Toch lukte het de twee dappere plevieren om de reus net zo lang te pesten tot hij buiten de gevarenzone kwam.
We liepen langs een bloemenrijke dijk naar het Tisza meer. Meteen bij het begin werd een draaihals gespot. Hij vertoonde een typisch draaihalzen trucje en drukte zich plat tegen de tak. De dijk waar we op liepen was heel lang en lag duidelijk hoger dan de rest van de omgeving. Enorme rietkragen, kleine struikjes en grote bomen (vooral later bij de oevers van de Tisza) bepaalden het landschapsbeeld. De dijk was verder begroeid met een kleurrijke hoeveelheid wilde planten o.a. witte klaproos, koolzaad, diverse lipbloemigen, composieten en vlinderbloemigen. Veel insecten o.a. een hele grote bonte oliekever een zeer kleurrijk insect, kleurenrijkdom gold natuurlijk ook voor de talloze vlinders. Rob wist er één te vangen zodat we hem goed konden bekijken. Het was een hele mooie pijpbloemvlinder. Uiteraard kreeg dit schepseltje naderhand weer de vrijheid.
Het mag duidelijk zijn dat in deze ambiance het vogelleven ook niet bepaald stilstond. Zeer veel vogels die als biotoop rietvelden of open vlaktes of moerasbos hebben, kon je hier tegenkomen. Om toch enkele te noemen moet je denken aan: geelgors, grote karekiet, paapje roodborsttapuit, sperwergrasmus en buidelmees. Dit voor zover het de zangvogels betrof. Maar ook een kwak (die heel mooi in een boom zat). Purperreiger, kwartel, kokmeeuwen en zwarte stern. Heel in de verte een scharrelaar op een telefoondraad. Het zou niet de laatste zijn deze week. Midden op het pad zat een visdief die zich ogenschijnlijk moeilijk kon bewegen. We begonnen ons al zorgen om het beest te maken, maar waarschijnlijk had hij gewoon zin om ons een beetje in de maling te nemen, want later vloog hij weg. Wel was het in ieder geval mogelijk om er een foto van te maken.

Visdief
foto visdief
We lunchten op de dijk en kregen zo nog een zeearend in beeld. Deze vliegende deur werd belaagd door twee meeuwen. Meeuwen zijn in Hongarije veel zeldzamer dan bij ons.
's Middags had iedereen vrij, ook best wel leuk even relaxen. Wouter en ik zijn o.a. nog even in de boomgaard naast de bijenstal wezen kijken naar de woning van de kleine bonte specht. De trotse "huiseigenaar" kregen we ook in het vizier. Het weer werd echter steeds slechter. 's Avonds onweer en regen. Om 20.00 waren we gedurende de twee minuten stilte nog even met de gedachten bij Nederland
6e dag woensdag 5 mei: Oeraluildag
Vandaag en morgen gingen we met Rob op pad. De andere groep zou met Balazs onze tocht van maandag en dinsdag gaan rijden. Voor ons stond wederom het Bükk nationaal park op het programma, maar dan wel een heel ander deel dan we eerder hadden gezien. Met een andere bus en nieuwe chauffeur reden we door de uitgestrekte bossen van het Bükkgebergte. Iemand zag een ree tussen de bomen, voorzichtig stopte de bus. De ree liep langzaam van ons vandaan, maar kon het toch niet laten nieuwsgierig als die dieren nu eenmaal zijn om steeds even achterom te kijken of wij er nog wel waren. Een voorbij rijdende bepaald niet geluidloze brommer maakte echter abrupt een einde aan dit schouwspel.
Iets verder vloog traditiegetrouw in een grote thermiekbel de inmiddels overbekende keizerarend. Een buizerd zweefde voort in dezelfde bel van opstijgende lucht. De beide thermiekgenoten zweefden met gelijke snelheid. Of eerlijk gezegd de buizerd leek wat sneller te gaan want hij zat meer naar het centrum van de verwarmde luchtzuil. Ook nu was het verschil in grootte weer zeer treffend. Je zag de machtige arend steeds zijn kop bewegen, en daarmee zijn territorium scannend of er nog iets van zijn gading bij was.
We kwamen bij een klein dorpje wat van oorsprong werd bewoond door Slowaakse glasblazers en later ook door kolenbranders. Nu is het een vakantieplaats en heet Bükkszék wat zoiets betekent als het kruis van Bükk. Rob meende een gekraagde roodstaart te zien en dat is natuurlijk een prima reden om even te stoppen. Na goed zoeken zagen we hem allemaal, hij zat luid te zingen op een dak. Tijdens deze speurtocht waren we nog veel meer moois tegengekomen. Wat dacht je van een grijskopspecht, deze is verwant aan de groene specht maar iets kleiner en komt vooral in Oost Europa voor. Verder heeft de grijskopspecht een grijze kop, maar dat zal niet al te veel verbazing wekken. Het mannetje heeft nog een rood voorhoofd. Ook zagen we op een brug nog twee appelvinken. Wat zijn deze "vinken" toch grote vogels.
We arriveerden nu bij het plaatsje Lillafüred. Waar de rivier een flinke bocht maakt ligt vlakbij het kasteelhotel Palota. Hier gingen we op zoek naar de waterspreeuw die we eerlijk gezegd niet tegenkwamen. Wel zagen we een grote gele kwikstaart actief aan het foerageren vlak bij het water. Hoog in een spar zong een Europese kanarie. Enkele bouwvakkers wenkten ons en wezen naar iets wat over de grond bewoog. Het was een jonge ringslang, duidelijk waren de lichte wangvlekken te zien. We hebben dit onschuldige reptiel naar de kant van de weg geleid, zodat hij geen last zou ondervinden van langsrijdend verkeer. Vlak bij het kasteel kroop op een rand van de kasteelmuur een schitterende vuursalamander. Helemaal glimmend zwart met grote gele vlekken. Later bleek dat amfibie niet alleen was, want binnen een halve meter bevond zich ook een jong, wat nog niet een kwart van de lengte van het ouderdier had. Een vuursalamanders is een levendbarend dier. Hoewel de meeste amfibieën altijd in de buurt van water leven, geldt dit niet voor vuursalamanders. De larven worden in het voorjaar geboren en ontwikkelen zich in het water. Maar eenmaal aan land blijven ze daar de rest van hun leven, wel houden ze van een vochtige omgeving. Zwart en geel zijn in de natuur altijd signaalkleuren. In geval van nood zijn ze namelijk in staat om via hun huidklieren een scherpe bijtende stof af te scheiden. We liepen nog even verder door het fraai gelegen dorpje, boven ons vloog een zwarte ooievaar.
De bus bracht ons naar de volgende bestemming. Een ander bosrijk deel van Bükk nationaal park. Hier zagen we vrij veel wijngaardslakken. De enorme slakken die in Nederland vanwege hun zeldzaamheid een beschermde status hebben. We dachten in een flits een kleine bonte specht te zien, maar toen we dichterbij kwamen bleek het een aangename vergissing te zijn, want het was een withalsvliegenvanger. Even verder hoorden we voor de meeste een onbekend geluid. Rob vertelde dat het om de kleine vliegenvanger ging. Het geluid heeft iets weg van een vink die halverwege zijn liedje er ineens mee stopt. Nu was het de kunst om deze zeldzame insecteneter nog voor de kijker te krijgen. Na ongeveer 10 minuten lukte dit ook, heel goed was het opvallend oranjerode keeltje te zien. Het vogeltje is ongeveer zo groot als een tjiftjaf. Vlakbij ook een fraaie boomklever die op de zo karakteristieke wijze de stam van een boom aan het afstruinen was; "ploegen in verticale tuinen". Verder valt van deze boswandeling nog te melden dat we een tauvlinder zagen, dit is een grote nachtvlindersoort met lichtbruine vleugels en op elke vleugel een grote zwarte vlek. In elke vlek zit een wit teken wat op de Griekse t (tau) lijkt. Er stak ook nog een zwarte naaktslak de weg over. Op zich niet zo'n heel bijzonder feit. Totdat Rob vertelde dat het hier om een endemische soort ging die alleen maar in het Bükkgebergte voorkomt. Dit betekende dat het bijna voor ons allemaal de eerste keer was dat wij deze hermafrodiet tegen het "lijf liepen". Inmiddels waren we bijna het bos uitgelopen en zagen een goudkleurige kleine hazelworm kronkelend de weg oversteken. Zoals bekend is een hazelworm geen worm, maar ook geen slang. Het is een pootloze hagedis.
Op een open plek in het bos werd het lunchpakketje verorberd. Natuurlijk bleven nu ook de oren en ogen weer wijd open staan. We zagen en hoorden een grauwe klauwier. Maar al hadden we het dier niet opgemerkt dan wisten we toch dat er in deze omgeving klauwieren voorkwamen. Want op een doorn van een bloeiende sleedoorn was een onfortuinlijke aardhommel gespietst. Bij dit soort sporen kijk je eigenlijk naar de provisiekamer van de grauwe klauwier. Bij een vermolmde boomstam vloog een enorme houtbij rond. Deze bij is zo groot als een hommel en blauwachtig zwart van kleur.
Nu gingen we wat verder het bos in, een spannende tocht want we hadden kans op iets leuks maar wisten niet wat. Opeens stopten we en wees Rob ons naar een bepaald punt. Op een tak zat een flinke uil ons aan te kijken. Later vloog hij onhoorbaar enkele meters verder en onttrok zich tijdelijk even aan onze waarneming. Maar dank zij de telescopen hadden we hem weer snel te pakken. Het geheim was onthuld We stonden vrijwel oog in oog met een oeraluil.

Oeraluil
Het was een echte top waarneming, want er zijn weinig mensen die kunnen zeggen dat ze deze kanjer hebben aanschouwd. Wel is het zo dat zijn gedrag nogal wat vreemde trekjes kent. Wanneer een oeraluil een biotoop zoekt en een gebied vindt wat hem wel aanstaat, dan gaat hij verder als volgt te werk. Alle andere uilen vanaf ongeveer het formaat van een bosuil of kleiner worden gedood of verjaagd. Verder is dit dier buitengewoon agressief wanneer hij jongen heeft, ook tegenover mensen. Hij zal dan zeker aanvallen en heeft het dan vooral op het gezicht van zijn "belagers" voorzien. Het is daardoor ook vrijwel onmogelijk om jongen in een nest te ringen, want de ouders zullen zeker aanvallen. Wij stonden in ieder geval op veilige afstand. De uil zat met zijn rug naar ons toe en keek af en toe steels achterom. Na een klein half uur besloten wij weer verder te gaan. De oeraluil verplaatste zich ook een tiental meters, zodat we ook nog konden genieten van de vlucht van het dier.
We gingen een stukje verder met de bus, onderweg zagen we nog bosarbeiders op traditionele wijze werken met paard en wagen. We stopte bij een rotsmassief. Inmiddels had de lucht ongezond grauwe vormen aangenomen en dat voorspelde niet veel goeds. We waren nu bij het terrein gekomen waar een grijze gors zijn biotoop had ingericht. Inmiddels was het ook al flink gaan storten en werden de kijkers en telescopen en natuurlijk wij zelf gehuld in regenwerende kleding. De gors vond het op dat moment echter te nat om zijn aanwezigheid te tonen. Maar vogelaars kunnen geduldig zijn. Een kwartier later was het vrijwel droog en toen werd een tweede poging ondernomen. Ditmaal wel met succes. We kregen de gors te zien zij het in een slecht verlichtte situatie en vrij grote afstand. Daardoor waren de fraaie kopstrepen niet te onderscheiden. Maar ook nu voor iedereen weer een nieuwe "lifer". Het was nu weer tijd om terug te keren naar de gezelligheid en warmte van farm Lator .
7e dag donderdag 6 mei: Roodpootvalken en scharrelaardag
Met de halve club gingen we naar Borsodi-Mezöség, het was ongeveer een uur rijden.
Beschermd Landschap Borsodi Mezoség
Borsodi-Mezöség, in de volksmond de Kleine Hortobágy, als tegenhanger van het beroemde, grotere Hortobagy, waar we later deze week een bezoek zullen brengen. Dit steppegebied heeft de status van beschermd landschap en staat op de nominatie voor Nationaal Park. Geologisch gezien hoort het bij de Grote Hortobágy. De gebieden zijn slechts gescheiden door de Tisza, die er in het verleden haar sporen heeft achtergelaten. Oude rivierbeddingen zijn ook nu nog te onderscheiden en zijn van nature vochtiger dan omringende gebieden. Zeer geringe hoogteverschillen (in de orde van 10-20 cm) bepalen het onderscheid tussen kletsnat en kurkdroog
|
Op de plek waar we uitstapten zat een kleine klapekster op een tak, we liepen langs een weggetje en de bermen waren rijk voorzien van kleurrijke planten. We kwamen bij een soort boerderijencomplex met hele grote stallen. De meeste stallen waren bezet door schapen in diverse soorten en maten. Buiten liepen echte scharrelkippen met hun kroost, maar ook kleine kuddes schapen voorzien van een twee benige of vier potige begeleiding. Twee veldleeuweriken waren bezig met een balts- of minimaal een ingewikkeld begroetingsritueel. Niet ver van de boerderij was een roodpootvalken-broedkolonie. Nu kon je de dieren uitstekend bestuderen. Een heel duidelijk verschil tussen mannen en vrouwen. De mannen zijn duidelijk donkerder van kleur met knalrode poten. De wijfjes hebben een oranje bruine borst en kop.

Roodpootvalk wijfje
Er zijn steeds wat kleine territoriumconflicten waarbij vooral de wijfjes een wat agressieve indruk maken. De vogels vliegen ook steeds even weg om in de omgeving te foerageren. Het was hier echt genieten geblazen vooral ook omdat er in de kolonie ook enkele scharrelaars aanwezig waren. Het zijn schitterende vogels. Voornamelijk iriserend blauw gekleurd met een roodbruine mantel. Het zijn forse vogels ongeveer zo groot als een kauw. Ze eten voornamelijk grotere bodeminsecten en overwinteren in Zuid Afrika. Rob vertelde dat ze in het Engels rollers worden genoemd. Deze naam danken ze aan hun baltsvlucht. Het leek alsof ze meegeluisterd hadden want kort hierna ging een scharrelaar in een horizontale vlucht recht omhoog en liet zich naderhand naar beneden draaien. De baltsvlucht lijkt een beetje op het neerdwarrelen van esdoornzaad en gaat als een soort propellertje naar beneden. Toen we er op gingen letten werd dit kunstje een aantal malen herhaald; een fantastische ervaring. Het waren in de zon net gevederde diamanten met al de schitterende kleuren. In deze contreien gaf ook een hop meerdere malen acte de présence.
Wanneer we onze blikken in plaats van in de lucht nu meer naar de bodem richtten. Dan viel op dat hier veel zoutminnende planten groeien. Zoals kruisdistel, lamsoor en zeealsum. Planten die je eerder in een slufterachtige omgeving mag verwachten. Het blijkt dat er ondergronds toch zoutwater aanwezig is, wat zich toch heeft weten te mengen met het zoete grondwater. Op de terugweg kwamen we op een akkertje waar behalve enkele patrijzen ook een egel rondliep. Vanuit de bus bespeurden we een rondzeilende zeearend en een grauwe kiekendief. De "grauwe kiek" is iets kleiner dan de blauwe in Nederland behalve in noord Groningen heel zeldzaam. In Hongarije veel talrijker dan de blauwe kiekendief. We gingen weer naar gebieden waarbij je vergezeld dient te zijn van een locale gids. Wij haalden de jongeman op uit een dorp wat wederom rijk gezegend is met bewoonde ooievaarsnesten.
Het weer was een beetje omgeslagen en een korte fikse regenbui dwong ons even te schuilen in een schuur waarvan de grond met stro en mest was bedekt. Na een kwartier was het vrijwel droog. Het terrein waar we liepen werd steeds drassiger. Weer moest er een keus gemaakt worden; achterblijven of natte voeten en of natte schoenen. Indien je even doorzette bleken de "ontberingen" toch de moeite waard. We kwamen bij een vogelhut op palen. We hadden uitzicht op een grote plas. Witwang- en witvleugel sterns vlogen aan alle kanten voorbij. Want dit was hun broedgebied. Ze broeden op polletjes vegetatie en niet op krabbescheer zoals zwarte sterns dat bij ons vaak doen. De plas valt in de zomer vrijwel droog. We zagen hier verder nog o.a. lepelaar, zomertaling en geoorde fuut. Heel bijzonder was de waarneming van een rosse stekelstaart, zelfs Rob had die nog nooit eerder hier gezien. Bij de palen van de hut zat een mooie gifgroene boomkikker. In ons land heel zeldzaam en hier fungeert dit fraaie amfibie als stapelvoedsel voor de ooievaar. Er vloog ook een resedawitje rond en Rob haalde tijdelijk een roodbuikvuurpad uit zijn natte biotoop. Je kon zo heel duidelijk de rode buik met zwarte vlekken zien van deze Bombina bombina.
Vanuit de bus moet je constant de telefoondraden in de gaten houden. Tussen vier telefoonpalen mochten wij het volgende optekenen. Tussen paal 1 en 2 een scharrelaar. Tussen paal 2 en 3 zat een kleine klapekster en daarna weer een scharrelaar. We stopten even bij een poel en bekeken, bosruiter, kuif- en witoogeend, een gele kwikstaart en tussen enkele ooievaars liep een groepje kluten. In de verte op een hoogspanningsmast zat een sakervalk. De sakervalk is de op één na grootste valk van Europa, alleen de in arctische streken broedende giervalk is groter, maar de "saker" is weer stukken groter dan bijvoorbeeld onze slechtvalk. Hij eet vooral siesels en woelmuizen, maar slaat een enkele keer ook wel een vogel. In Europa is het een zeldzame soort geworden. Volgens de ANWB vogelgids nog maar 600 broedparen in heel Europa. Wij wilden nog wat dichterbij komen, maar inmiddels was de grote "Falco" al weggevlogen van zijn verheven uitkijkpost. We keken nog wel even naar een grauwe kiekendief die een prooi had geslagen.
We liepen verder de poesta´s op om te kijken of er nog een kans was grote trappen te zien. Zoals we de laatste dagen verder hadden gemerkt werd het weer er zo tegen het einde van de middag niet beter op. De lucht zag er zeer dreigend uit. We besloten terug te gaan. Nu zijn de onverharde wegen hier bij droog weer goed te berijden, maar bij regen is het gebied alleen maar goed te berijden met vierwielaandrijving. We moesten nu een lastige keus maken. We konden tegen de bui inrijden en dan zouden we na ongeveer 4 kilometer bij een geasfalteerde weg uitkomen. Reden we voor de bui uit, met een kleine kans om het droog te houden, dan zouden we pas na ongeveer 10 kilometer bij een verharde weg komen. De gids koos voor de laatste optie en zo werd het een soort race tegen de elementen. We werden echter al vrij snel door de lekkende wolken ingehaald en dat betekende het werd steeds moeilijker voor de chauffeur om de wagen op de weg te houden. Op het laatst konden de wielen het niet meer bolwerken en konden we alleen maar constateren dat we waren vastgelopen. Bijna iedereen moest er uit om te duwen. Maar was je eenmaal buiten dan kregen de zolen van je schoen hetzelfde te verduren als de wielen van de bus. We zaten vast en alleen met brute kracht kon hier verandering in komen. Inmiddels was de gids hulp gaan halen en kwam later met een tractor terug. Voor de tractor was deze klus een eitje en probleemloos trok hij het voertuig voort door de bagger. Aanvankelijk te snel, maar later met een goede kruissnelheid bereikten weer het asfalt. En nadat iedereen de meeste bagger van de schoenen had verwijderd, konden we veilig de terugweg aanvaarden.
8e dag vrijdag 7 mei: Watervogeldag
De laatste vogeldag was aangebroken met de hele groep en twee bussen gingen we op pad. Nu waren de visvijvers van Hortobágy het doel van onze reis.
|
Een wandeling tussen de vijvers zal de indruk wekken dat het hier een uitgestrekt moerasgebied betreft. Alleen de voorzieningen voor de kweek van karpers verraden dat het om visvijvers gaat. De rietkragen zijn honderden meters breed en kilometers lang. Het aantal reigers is hier enorm. Behalve de Koereiger zijn alle Europese soorten hier vertegenwoordigd. Wanneer de karpers worden 'geoogst', laat men gewoonweg een vijver leeglopen. Als gevolg daarvan ontstaan, tijdelijke, slikplaten met allerlei steltlopers. Deze kunnen worden geobserveerd vanaf vogeltorens, die op de hoeken van de visvijvers zijn gebouwd. De Zeearend is een regelmatige bezoeker van deze karpervijvers, waar het voedsel door de menselijke activiteiten soms voor het oprapen ligt.
|
Allereerst brachten we nog even een kort bezoek aan de vogelhut waar we eerder deze week al waren geweest. Het is namelijk een plek waar de zwartkoprietzanger nog wel eens wordt waargenomen. Enkele van ons hadden hem ook gezien. De rest moest zich voorlopig maar tevreden stellen met een rietgors en een lepelaar. Bij het bezoekerscentrum en naast gelegen markt kregen we nog even de kans om wat forinten uit te geven. Men had o.a. een leuk vogelboek over de Hortobágy.
Maar nu gingen we snel naar de visvijvers. De vijvers zijn met een dijkje gescheiden van het grote meer. De vijvers zijn destijds door Russische krijgsgevangenen met de hand gegraven. Wanneer men een vijver laat leeglopen wordt de gevangen vis in grote bakken met een treintje afgevoerd. Zo'n uitgestrekt gebied met zoveel vis oefent natuurlijk een grote aantrekkingskracht uit op vogels. Reigers heb je hier in alle soorten en maten en je ziet ook steeds kwakken, ral- en purperreigers langs vliegen. Maar ook werden hier blauwborsten gesignaleerd. Het enige nadeel was dat het weer deze dag niet optimaal was. De weergoden hadden de nodige emmers water klaar staan en gedurende de hele dag werden die boven onze hoofden leeg gekieperd. Het mocht de pret niet drukken. Vanuit de diversen uitkijktorens had je een werkelijk schitterend uitzicht over de enorme uitgestrekte rietvelden. Langs de paden weer veel kleurrijke flora o.a. duizenden bloeiende pijpbloemen. Ondanks de regen en de baggerrijke weg wist vrijwel iedereen de vogelhut te vinden.

Vogelhut bij de visvijvers
Hier werden de koffiebekers leeggedronken. We hadden uitzicht op alle eerder deze week genoemde sterns. Maar ook waren hier knobbelzwanen (We hebben daar in Hongarije weinig exemplaren van gezien). Ook was de kleine aalscholver present en als klap op de vuurpijl een brilduiker. De hut was het keerpunt, daarna moesten alle aanwezigen dezelfde weg terug. Alleen werd er nu niet zo vaak stil gestaan. Hierdoor werd het traject door de meeste in een tijd van anderhalf á twee uur afgelegd. Tegen half vijf was iedereen weer in de bus en reden we weer naar het vakantieverblijf. ´s Avonds stond er nog een wandeling met kans op nachtzwaluwen op het programma. Bij nachtzwaluwen denk je automatisch aan zwoele zomeravonden en niet aan "pijpenstelende" regen. Hierdoor werd deze excursie ook wegens gebrek aan belangstelling geannuleerd. Desondanks hebben we ons toch prima vermaakt.
9e dag zaterdag 8 mei: Boedapestdag
Na het ontbijt van alle kanten lovende speeches, want iedereen had erg genoten deze week. En toen was het moment van afscheid aangekomen. We werden allen uitgezwaaid door Rob en Barbara. De treinreizigers en vliegeniers waren ieder in hun eigen bus gestapt op weg naar Boedapest. Bij aankomst in Boedapest moesten de treinreizigers meteen naar het station. De andere groep had nog even de tijd en kreeg gelegenheid om gedurende anderhalf uur nog iets op te snuiven van de cultuur van deze fraaie stad.
De stad Boedapest wordt pas sinds 1873 zo genoemd In dat jaar werden de steden. Óbuda, Buda en Pest samengevoegd tot Boedapest. Pest was en is meer het zakelijke, artistieke en intellectuele centrum van de stad. Buda van oudsher meer het residentiële en historische deel. Omdat het zo'n mooie en grote stad is, heeft het twee belangrijke bijnamen gekregen nl: "Koningin van de Donau" en "Parijs van het Oosten".
Onze bus bracht ons op de Burchtheuvel. We werden meteen al met muziek ontvangen, door een bejaard muzikanten trio. Vanaf deze plek hadden we een schitterend uitzicht op de stad. Het geheel wordt als het ware in twee stukken gedeeld door de Donau. Maar om toch snel van de ene kant naar de andere te komen zijn er een aantal fraaie bruggen gebouwd. In het deel waar wij vertoefden bevond zich een toeristenmarkt, enkele fraaie kerken en andere memorabele en goed geconserveerde gebouwen. Bekend is bijvoorbeeld het vissersbastion, met veel witte torens. Bij een beeld zaten twee valkeniers de een had een slechtvalk bij zich en de andere was vergezeld van zeearend. Je kon verder nog wat inkopen doen. Hier kon je ook gewoon met euro´s betalen of wat rond kuieren.
De tijd vloog om en voor we het wisten waren we alweer op weg naar het vliegveld. We vlogen nu met een KLM vlucht MA 6666 de terugreis duurde precies 1 uur en 38 minuten en toen waren we weer veilig geland op Schiphol.
We kunnen terugkijken naar een fantastische week vogelen in Hongarije een aanrader voor iedere vogelaar.
Henk Merts mei 2004