DE VOORBEELDVIS
In het volgende schema worden de belangrijkste kenmerken voor de meeste vissoorten nader toegelicht . De cijfers verwijzen naar onderstaande afbeelding.
Topologie van een vis
1De bekdradenHet bezit van bekdraden is een belangrijk kenmerk, Vooral het aantal bekdraden en de lengte ervan, helpen mee om een vissoort snel op naam te brengen.
Tot de bekdraden worden gerekend alle aanhangsels naast, op en onder de bek.
2De stand van de bekEr zijn drie standen te onderscheiden:
  • bovenstandig: de bek wijst naar boven
  • eindstandig: de bek wijst naar voren
  • onderstandig: de bek wijst naar beneden
3Het aantal schubben op de zijlijnDe schubben op de zijlijn zijn van de andere schubben te onderscheiden, doordat het lijkt alsof er een klein, horizontaal streepje op staat. Om het aantal schubben op de zijlijn te bepalen, moeten alle schubben van de kop tot aan de staartvin worden geteld.
4Aantal, vorm en plaats van de rugvin(nen)Een aantal vissoorten heeft twee rugvinnen, die al dan niet aanéén gegroeid zijn. Bij deze soorten voelt de voorste rugvin vaak stekelig aan Bij enkele soorten is de achterste rugvin zeer lang. Ook de vorm van een rugvin is vaak een belangrijk kenmerk, deze is dan bolrond of hol,
5De vetvinTussen de rug- en staartvin komt bij een aantal vissoorten een kleine vin voor: de vetvin.
6Vorm en plaats van de anaalvin Van een aantal vissoorten is de anaalvin hol ingesneden Bij enkele andere soorten is de anaalvin juist bolrond van vorm, Sommige soorten bezitten een zeer lange anaalvin,
Kleurvariëteiten
Van een aantal vissoorten is bekend, dat door een'speling der natuur' afwijkend gekleurde exemplaren kunnen voorkomen ( = kleurvariëteiten).
Zo zijn er bijvoorbeeld goudkleurige exemplaren van karper, zeelt, pos, winde en aal. Dergelijke kleurvariëėteiten worden vaak als siervis gekweekt (met uitzondering van de aal en de pos).
Daarnaast is bekend, dat van aal, snoek en meerval wel eens geheel witte exemparen (albino's) worden gevangen.
De mannetjes van sommige vissoorten, zoals bijvoorbeeld van de elrits, de bittervoorn en de driedoornige stekelbaars, kunnen in de paaitijd fraai zijn gekleurd. Hierbij is echter geen sprake van een kleurvariëteit, maar van een tijdelijk kenmerk dat samenhangt met de voortplanting.
Ook op een andere wijze kunnen zich binnen een soort kleurverschillen voordoen. Een bekend voorbeeld hiervan is de brasem, waarvan zowel donkere als lichtgekleurde exemplaren bekend zijn. Deze kleurvariatie hangt onder meer samen met het type water waarin de vissen even. Ook de ouderdom van de vissen kan hierbij een rol spelen.
Hybriden
Er komen echter ook vissen voor die niet als soort te onderscheiden zijn, maar zowel 'iets' hebben van vissoort 'A' als van vissoort 'B'. De kans is groot dat er in dergelijke gevallen sprake is van een hybride ( = bastaard). Een hybride is een nakomeling uit een kruising tussen twee meestal nauw verwante soorten. Beide ondersoorten hebben daarbij een aantal (uiterlijke) eigenschappen 'meegegeven' aan de hybride. Het is in veel gevallen moeilijk te bepalen uit welke kruising zo'n hybride is voortgekomen. In ons land ontstaan de meeste hybriden uit kruisingen in de familie van de Karpers, maar er kunnen ook kruisingen worden aangetroffen tussen vissoorten uit de familie van de Baarzen.
Het voedsel van de vis
Het voedsel van de vis