| Naam | Omschrijving |
|---|---|
| Bef | Kleurrijk gedeelte onder de kin ter hoogte van keel en borst. |
| Bovenstaartdekveren | Veren die het bovenste gedeelte van de basis van de staart bedekken. |
| Broek | Het gedeelte van de poten dat bedekt is met vrij lange veren b.v. een roek heeft een broek |
| Borst | Belangrijk gedeelte in het vooraanzicht van een vogel, kleurrijk en gevlekt bij vele soorten. |
| Borstbeenpunt | uitstulping van het borstbeen (wordt ook wel kam genoemd) waaraan de krachtige vliegspieren zijn vastgehecht. |
| Buik | Ligt tussen borst en staart. |
| Dekveren | De veren aan de buitenzijde die de vleugels (hand- en armpennen) bedekken. Men onderscheidt kleine dekveren, grote dekveren en onderdekveren. |
| Diverse vogelonderdelen |
|
| Gonys | Gehoornde uitstulping aan de ondersnavel, vaak levendig gekleurd. |
| Halsband | Contrastrijk gedeelte rondom de hals van keel tot nek. |
| Pennen | Dit zijn de grote pennen van de vleugel vanuit de achterzijde gezien. Men onderscheidt handpennen (grote slagpennen) en armpennen (kleine slagpennen). |
| Keel | Gedeelte onder de snavel waar de nek versmalt. |
| Kin | Juist onder de snavel gelegen, boven de keel. |
| Kopkap | Contrastrijk gedeelte op de kruin en het achterhoofd. |
| Kuif | Dot van min of meer verlengde veertjes bovenop de kop. Bij de meeste soorten ligt de kuif plat en wordt ze alleen recht gezet bij irritatie of bij de balts. |
| Masker | Zit aan de voorkant van de kop en bedekt de ogen met een kleur (vooral zwart) in de vorm van een masker. |
| Nagel | Afgeplatte uiteinde van b.v. een ganzensnavel, heeft meestal een andere kleur dan de snavel. |
| Nek | Onderste gedeelte van de hals, op het achterhoofd. |
| "Neushaartjes" | Op haartjes lijkende veertjes, in dotjes bij elkaar rondom de snavel zoals bij sommige soorten (b.v. de nachtzwaluw). Ze helpen bij het localiseren van prooien. |
| Onderstaartdekveren | Veren die het onderste gedeelte van de basis van de staart bedekken. |
| Oogstreep | Fijn gekleurd streepje aan weerskanten van het oog. |
| Oorstreek en wangen | Deel van de kop, juist onder het oog. |
| Sleutelprikkel | Binnensnavel die vaak kleurrijk is bij jongen in het nest. |
| Snor | Gedeelte dat zich aan beide zijden van de snavel bevindt. |
| Spiegel | Gekleurde streep in de armpennen. De spiegel is op de achterzijde van de vleugel zichtbaar. |
| Staartpennen | Veren van de staart. Ze stellen de vogels in staat zich te stabiliseren tijdens het vliegen of af te remmen voor het landen. |
| Stemband | Dun vlies dat zit aan de verbinding van de twee luchtpijpen. Hij trilt door het werken van ingewikkelde spieren en produceert verschillende geluiden. |
| Stuit | Uiterste gedeelte van het lichaam, hierin zit ook de stuit- of vetklier. |
| Vleugelstreep | Gekleurde band die zich bevindt op de bovenvieugel, soms alleen in de vlucht te zien. |
| Wenkbrauwstreep | Opvallende streep juist boven het oog. |
Terug naar de homepage
Terug naar Natuur op het Web