Planten van Fred Triepwandelen door de Amsterdamse Hortus
De vijf onderstaande verhalen zijn afkomstig van de site van Fred Triep. Ook door hem geschreven en met zijn toestemming geplaatst.
E-Mail: Fred Triep
Hortus Botanicus
1018 DD Amsterdam
Openingstijden
Er zijn momenteel de volgende 5 verhalen geplaatst.
|
De heggerank (Bryonia cretica) is de enige vertegenwoordiger van het geslacht Bryonia en ook de enige soort van de familie Cucurbitaceae (komkommerfamilie), die inheems is in Nederland. De meeste planten uit de komkommerfamilie hebben vruchten, die gevuld zijn met grote hoeveelheden sap. Een aantal planten is hierdoor in cultuur gebracht, zoals de komkommer en augurk (vormen van Cucumis sativas), de meloen (Cucumis melo), de watermeloen (Citrillus lanatus) en de kalebas (Cucurbita spec.). De heggerank is in vergelijking met de eerder genoemde planten een buitenbeentje, hij heeft namelijk rode bessen.
De meeste soorten uit de ongeveer 800 soorten tellende komkommerfamilie komen uit warmere en drogere streken dan Nederland. De heggerank zal je in Nederland ook niet aantreffen in onbeschutte plekken. Het is een plant, die voornamelijk aangetroffen wordt in heggen en struwelen. De plant vormt onder de grond een grote en dikke knolvormige wortelstok, die in het voorjaar uitloopt met stengels, die enkele meters lang worden. Deze stengels dragen 3 tot 5 lobbige bladeren, die verspreid op de stengels staan. De stengels bezitten naast de gewone bladeren ook nog ranken, waarmee de stengels zich vasthouden aan struiken bij het omhoogklimmen.
In de oksels van de bladeren verschijnen vanaf mei de trosvormige
bloeiwijzen. De heggerank is tweehuizig, dat betekent dat de plant aparte
"mannelijke" en "vrouwelijke" vormen kent. De oude soortaanduiding
'dioica' wijst erop, dat de plant uit twee verschillende exemplaren
bestaat. De bloemen vallen voor de mens waarschijnlijk minder op dan voor
de insekten, want ze zijn groenachtig wit. De meeste planten met
groenachtige bloemen worden door de wind bestoven. Dat geldt niet voor
de heggerank. Waarschijnlijk reflecteren de bloemen een bepaalde
golflengte van het licht, die insekten beter zien dan mensen,
want er zijn insekten die speciaal naar deze bloemen toekomen en het
stuifmeel overbrengen.
Een van die insekten is de zeldzame heggerankbij.
De bessen zijn zo groot als een erwt en rood van kleur. Ze zijn niet eetbaar voor mensen, maar des te meer voor de larven van de heggerankboorvlieg.
De wortelknol bevat een laxeermiddel, dat zeer giftig is. Vanaf de veertiende eeuw is de heggerank bekend als een tegengif tegen lepra. In de vlezige wortelstok zit een melkachtige vloeistof, die een walgelijke en bittere smaak heeft. Het zou zuiverend werken en het werd gebruikt tegen hoesten, verstopping, hoofdpijn en rheumatische pijn. Het was vroeger een favoriet medicijn van kruidendokters en het wordt tegenwoordig nog gebruikt in homeopatische mengsels. Extracten van plantedelen van verwante soorten van de heggerank, zoals van de bitterappel (Cucumis colocynthis) worden tegenwoordig nog als medicijn gebruikt.
De heggerank kunt u in de hortus aantreffen op 3 plekken.
De Ginkgo biloba is een van de oudste nog levende bomensoorten. Er zijn fossielen van deze boom van 150 miljoen jaar oud gevonden. Hun grootste verpreiding hadden deze bomen in de geologische periode Trias en Jura. De Ginkgo is een boom met loofbladeren, die echter meer verwant is met de huidige naaldbomen dan met de huidige loofbomen.
Evenals de naaldbomen behoort deze boom tot de Naaktzadigen, dat zijn planten waar de zaden niet volledig door een vrucht omsloten worden. De Ginkgo biloba is de enige overgebleven soort uit het enige geslacht uit de familie Ginkgoaceae. Het is daardoor een "levend fossiel". Dit is mogelijk ook een van de oorzaken, dat deze boom weinig natuurlijke vijanden heeft. Hij is goed bestand tegen de vele ziekten, die andere bomen teisteren. Ook luchtverontreiniging kan hij goed verdragen.
In de loop van miljoenen jaren is het natuurlijke verspreidingsgebied van deze boom van een wereldomspannend gebied afgenomen tot 2 kleine gebiedjes in China. Daar zouden ze nog voorkomen in de bergwouden, maar dat is niet helemaal zeker. Enkele eeuwen geleden begon de verspreiding als "sierboom". Priesters in China en Japan plantten de boom in tempeltuinen aan. In 1730 kwam de eerste boom in Europa en wel in Utrecht.
De boom heeft typische "eendepootachtige" bladeren met dichotoom vertakte nerven (= nerven, die zich steeds in 2 nieuwe nerven verdelen). De Ginkgo is tweehuizig, dat wil zeggen dat de bomen of alleen mannelijke voortplantingsorganen of alleen vrouwelijke voortplantingsorganen hebben. De gele katjes bij de mannelijke bomen en de groene eivormige bloemen bij de vrouwelijke bomen verschijnen tegelijk met de jonge bladeren in april. De zaden kunnen gegeten worden. In China worden de zaden geroosterd en als pinda's gegeten.
De Ginkgo wordt vaak aangeplant als "straatboom". Ook in Amsterdam vinden we hem in sommige straten aangeplant, bijvoorbeeld in de Vespuccistraat in Oud West. Er zijn echter nog meer straten in Amsterdam met aanplant van deze bomen. De aangeplantte bomen zijn bijna altijd mannelijke bomen, omdat de rijpe vlezige Ginkgo-zaden walgelijk stinken en een gladde smeerboel op straat veroorzaken.
In de hortus staan twee Ginkgo bomen. Een van de bomen staat in het halfrond en de andere staat in een perkje ten zuiden van het halfrond.
De Metasequoia glyptostroboides is de enige levende soort van het geslacht Metasequoia. Deze boom behoort tot de familie Taxodiaceae, dat is een van de families van kegeldragende bomen die tot de Naaktzadigen worden gerekend. Tot deze familie behoren ook andere merkwaardig bomen, zoals de soorten van het geslacht Sequoia (de redwoods uit California en Oregon), die van Sequoiadendron (met de reuzensequoia of mammoetboom) en die van Taxodium (de moerascypres). De soorten uit familie Taxodiaceae zijn eenhuizig. Dit betekent, dat de mannelijke en de vrouwelijke voortplantingsorganen op verschillende bomen zitten. Verder hebben hun stuifmeelkorrels in tegenstelling met die van de den en de spar geen vleugels met luchtblazen.
De bomen uit het geslacht Metasequoia waren eerst alleen bekend als fossielen. Aanvankelijk werden deze 60 miljoen jaar oude fossielen gerekend tot het geslacht Sequoia. In 1941 gaf een Japanse onderzoeker een van de fossielen de naam Metasequoia, omdat hij afweek van de andere. In de tweede wereldoorlog vond een Chineze houtvester bij toeval in een afgelegen streek in Zuid China 3 bomen, die hun blad bleken te verliezen. Uiteindelijk bleek in 1944, dat deze boom nog niet beschreven was. In 1945 werd er een expeditie georganiseerd naar deze streek en toen bleken er nog veel meer bomen van deze soort te zijn. In 1948 was men er inmiddels van overtuigd geraakt, dat de gevonden bomen behoorden tot het al eerder beschreven geslacht Metasequoia, waarvan tot dan toe alleen fossielen bekend waren.
De eerste zaden van deze boom kwamen in 1947 in Boston en vandaar werden de zaden over de hele wereld verspreid. Ook door stekken werd de boom verder verspreid. In het begin groeit de Metasequoia hard, zodat hij binnen enkele jaren een boom van 20 meter hoogte kan vormen. Hij kan zelfs 35 meter hoog worden. In tegenstelling met de meeste andere bomen uit de Taxodiaceae (en de andere Naaldbomen) verliest de Metasequoia in de herfst zijn bladeren. Voordat ze afvallen kleuren ze eerst mooi rood.
In onze hortus staat ook al een behoorlijk exemplaar van deze "fossiele" boom. Hij is gegroeid uit een zaadje, dat in 1947 in de hortus uitgezaaid is. Inmiddels is de boom zeker 10 meter hoog. U kunt hem achter in de tuin vinden, links van de Palmenkas.
De zonnedauw is een carnivore plant, die we ook in Nederland kunnen vinden. Het geslacht Drosera vormt samen met drie andere geslachten (Drosophyllum, Aldrovanda en Dionaea) de zonnedauwfamilie of Droseraceae. Deze familie is over de hele wereld verspreid, met name de zonnedauw is een kosmopoliet. De grootste verspreiding heeft deze familie echter op het Zuidelijk halfrond, met een concentratie in Australië. Het grootste deel van de 83 soorten uit deze familie groeit in venen en één soort is een echte waterplant (Aldovandra). Omdat in venen het stikstofgehalte laag is, zou dat de "selectiedruk" geweest kunnen zijn om zich naar een carnivore levenswijze te ontwikkelen.
Het geslacht Zonnedauw bezit 80 van de 83 soorten uit deze familie. Zonnedauwsoorten hebben een wortelrozet en lang gesteelde bladeren, waarvan de rand en de bovenkant bezet zijn door uitgroeisels. Deze uitgroeisels scheiden een kleverig vocht af, dat lijkt op "dauwdruppels". Omdat deze "dauwdruppels" onder invloed van de zon niet verdwijnen, kreeg deze plant de naam "Zonnedauw". De bloemen van deze vleesetende plant zitten in opgerolde trossen. Ze bestaan uit 5 kelkbladeren, die aan de voet vergroeid zijn en vijf vrije, witte kroonbladeren. De dauwdruppels trekken muggen en andere insekten aan, die aan de bladeren blijven kleven, als ze met deze druppels in aanraking komen. Daarna vindt er een keten van reacties plaats, waarbij het insekt een hopeloze strijd moet strijden. want bij het spartelen om los te komen, kunnen ze andere druppels raken en dan kleven nog meer vast. Door mierezuur, dat de bladeren afscheiden, wordt een klein deel van het eiwit van het insekt opgelost. Door dit eiwit wordt de rest van het blad geprikkeld en langzamerhand gaat het blad zich dan om het insekt heenrollen. De volgende stap is de vertering. De tentakels gaan enzymen afscheiden, die de eiwitten van de mug afbreken. De aminozuren, die bij deze afbraak ontstaan, worden door de tentakels ook opgezogen en zodoende wordt de stikstofvoorraad van de plant aangevuld. Het hele verteringsproces duurt enkele dagen en daarna ontrolt het blad zich weer.
In Europa komen 3 soorten uit het geslacht Zonnedauw voor, die ook in Nederland voorkomen. Het zijn de soorten Drosera intermedia (kleine zonnedauw), D. rotundifolia (ronde zonnedauw) en D. anglica (lange zonnedauw). Van de drie soorten komt de kleine zonnedauw soms in grote aantallen voor, ook al is hij niet erg algemeen. Zijn verspreiding ligt rondom de Atlantische Oceaan en in Nederland kunt u hem aantreffen in zand- en hoogveengebieden in het Zuidoosten van het land. De ronde zonnedauw komt over het gehele Noordelijke Halfrond in de koude tot gematigde zone voor en het is de meest algemene zonnedauwsoort van Nederland. Hij komt in sommige laagveengebieden van Westelijk Nederland nog veel voor. Meestal groeit hij tussen veenmos. De zeldzaamste soort is de lange zonnedauw, die meer eisen stelt aan het milieu dan de andere 2 soorten. Je vindt hem niet op heidevelden, maar alleen in venen met opstijgend mineraalhoudend water. Door ontwatering en bemesting hebben de zonnedauwpopulaties echter sterk te leiden. Om die reden worden deze soorten nu in Nederland beschermd.
De Droserasoorten hebben onder andere nut voor de mens als sierplant. Je kunt hen uit zaad opkweken en het beste is de ronde zonnedauw hiervoor geschikt. De zonnedauw levert ook medicijnen tegen keelaandoeningen. De vanouds gebruikte ronde zonnedauw kan hiervoor, door hun beschermde status, niet meer gebruikt worden. Daarom worden hiervoor nu Afrikaanse soorten gebruikt. De zonnedauwsoorten en andere vleesetende planten kunt u vinden in de vitrine in subtropische compartiment van de Drie- klimatenkas.
Literatuur:
Weeda, E,J., R. Westra, Ch. Westra en T. Westra
Nederlandse Oecologische Flora
Wilde planten en hun relaties, deel 1
IVN
Vernon H. Heywood
Bloeiende planten van de wereld
Elsevier 1979
De Agave is een plant, die heel sterk geassocieerd wordt met Mexico. Hoewel de meeste soorten van dit geslacht in dit land gevonden wordt, komen vele soorten ook in de Verenigde Staten en de rest van Latijns America voor. Enkele soorten zijn ook in het Middelandse-Zeegebied in cultuur gebracht en vandaar uit verwilderd.
De 136 soorten Agave behoren tot de naar deze planten genoemde familie Agavaceae. Deze familie heeft een verspreiding in de tropen en de subtropen, waarbij de meeste soorten een voorkeur voor 'droge' gebieden (steppen, woestijnen, enz.) hebben. Andere belangrijke geslachten uit deze familie zijn Dracaena, Sansevieria en Yucca.
Bij alle Agaves komen de bladeren als een bladrozet uit de grond. Vanuit deze rozet groeien ook de bloemstelen met de trosvormige bloemen op. De bloemen hebben 6 vergroeide bloemkroonbladeren, die samen een buis vormen. Om te kunnen bloeien moet de plant een zekere 'rijpheid' hebben bereikt, meestal na 8 tot 20 jaar. De meeste Agaves bloeien maar één keer. Men moet daarna de spruit aan de voet van de oude plant verder kweken voor meer bloemen. Een aantal soorten vormt bloeistelen uit het centrum en deze planten kunnen meerdere keren bloeien. De bloeistelen zijn in vergelijking met de rozetten vaak reusachtig, bij sommige soorten tot circa 10 meter lengte. Deze lengte wordt in slechts 2 tot 4 maanden tijd bereikt.
Van de diverse Agavesoorten heeft de A. americana wel een van de grootste arealen. In Noord- Amerika komt hij voor vanaf Texas en Arizona tot in Chiapas (Zuid- Mexico) Dit komt waarschijnlijk niet alleen door zijn natuurlijke verspreiding, maar ook doordat de mens hem naar ander gebieden heeft gebracht. Bovendien kunnen de verschillende varieteiten van deze soort zich waarschijnlijk aan de tegengestelde condities aanpassen: de planten in het Middellandse Zeegebied krijgen in de zomer nauwelijks regen, terwijl ze dat in de VS vooral in de zomer krijgen.
Agaves zijn door de mens gekweekt als gebruiksplant: voor de vezels die in de stevige bladeren zitten en als bron voor gegiste dranken (pulque). De pulque werd door de Indianen van Mexico gewonnen uit de Agavesoorten van het Centrale Hoogland (1200- 2500 meter), voordat de Spanjaarden er een voet hadden gezet. Verschillende soorten kunnen gebruikt worden voor het aftappen van het sap. De belangrijkste twee soorten voor de produktie van pulque zijn de nauw verwante soorten A. salmiana en A. mapisaga. Deze planten groeien naast elkaar in het centrale deel van Mexico, in een grote cirkel rondom de stad Mexico City.
De Spanjaarden brachten het destillatieproces mee, zodat uit de pulque de sterke drank mescal gemaakt kon worden. De tequila is daarentegen een drank, die gemaakt wordt door destillatie van het gegiste sap van de A. tequilana of blauwe Agave. Deze soort wordt vooral in de omgeving van het dorpje Tequila bij Guadalajara gekweekt. De zeventienduizend inwoners van dit dorp zijn bijna allemaal afhankelijk van de produktie van tequila, die door dertig bedrijven wordt gemaakt. Na 48 tot 72 uur gisting van het sap en na een dubbele destillatie blijft de witte tequila over. Rijping in vaten kan de kleur in geel veranderen en de smaak van de drank verfijnen.
De A. sisalana en A. fourcroydes (sisalhennep) worden vooral gekweekt voor hun vezels. Beide soorten zijn daardoor over de wereldbol verspreid. Omdat de A. sisalana in de natuur niet meer aangetroffen wordt, is de oorspronkelijke groeiplaats niet meer bekend. Men neemt aan, dat deze Agave vroeger in Yucatan (of de directe omgeving daarvan) groeide. Deze Agave wordt alleen nog maar door stekken voortgekweekt, omdat hij geen zaad voortbrengt. De verspreiding van deze planten is overal door het planten van stekken.
Agave's kunnen een lange tijd van droogte overleven. Een afgekapte rozet hoeft men alleen maar in een kuiltje met wat vochtige grond doen en na enige tijd zal hij er wortels in vormen.
De verspreiding van de Agavesoorten kwam goed op gang na de verovering Centraal- Mexico door de Spanjaarden. Vrij snel brachten Spanjaarden en Portugezen de Agave americana naar de Azoren en de Canarische eilanden. In de 19e eeuw werd de Agave in Europa populair als sierplant. Eveneens in de 19e eeuw begon de sisalcultuur (uit de A. sisaliana) in de koloniale gebieden in Oost- Afrika en Azie.
In de Hortus staan verschillende Agaven. In de Mexicaanse kas kan men de soorten A. filifera, A. victoria- reginae, A. celsii, A. striata, A. ferox en A. juceifolia aantreffen. De A. americana staan in twee vormen in kuipen buiten de kassen, namelijk een blauwe en een gestreepte vorm. De A. latissima staat in een kuip voor de Drie- klimatenkas. Eveneens buiten staat de A. albicans. De vezelplant A. sisalana staat in de educatieve kas (dat is de kas voor de Mexicaanse kas). Er is overigens nog geen overeenstemming tussen botanici wat betreft de sytematiek. De hierboven genoemde soorten A. ferox en A. latissima worden door Gentry als varieteiten of vormen van de soort A. salmiana beschouwd.
Terug naar de homepage
Terug naar Natuur op het Web