Daarna wordt zo'n blok afgesloten met een excursie. De belevenissen en waarnemingen tijdens deze excursies staan hieronder. De verhalen zijn geschreven door de kakelverse leden van het docententeam.
hm april 2003
25-05-2003 Stadsexcursie binnenstad van Leiden Robert Jan Kooman
19-04-2003 Polderexcursie Polderpark Cronesteyn in Leiden Marijke Schellekens
05-04-2003 Strandexcursie Strand van Katwijk Anneke Drijver
22-03-2003 Bosexcursie landgoed Oud Poelgeest in Oegstgeest Martine Jager
| Plaats: | Binnenstad Leiden |
| Wanneer: | 25-05-03 |
| Tijdsbestek: | 10.00-±12.30 |
| Door: | Robert-Jan Kooman |
De Burcht verlatend sloegen wij linksaf, het smalle steegje langs het restaurant "het Koetshuis" in (van der Sterrepad is de naam van dit steegje). Hier liepen wij langs een mispel, een door de Romeinen in Nederland ingevoerde boom, waarvan de vruchten, die het lekkerst zijn als ze overrijp zijn, vroeger meer in trek waren dan tegenwoordig. Daardoor zie je deze boom niet meer zo vaak. Ook stonden er een paar heel oude vlieren, tot boomhoogte uitgegroeid en vol met prachtige witte bloesem. Ons werd verteld dat juist oude vlieren die het gevoel hebben dat ze het niet lang meer zullen maken, heel veel bloesem maken om zich nog gauw even van nageslacht te verzekeren.
Op de Oude Rijn aangekomen, hebben we ons een tijdje opgehouden bij een van de linden die hier in groten getale zijn aangeplant. Je kon hier goed zien dat lindebomen de neiging hebben om opschot te vertonen, een verzameling loten aan de onderzijde van de stam. Vaak wordt dit weggesnoeid, waardoor dit kenmerk van de linde niet altijd duidelijk aanwezig is. Op linden zitten regelmatig bladluizen die een kleverige suikerhoudende stof uitscheiden, honingdauw genoemd. Vaak bevat deze honingdauw nog schimmels die op de bladeren zitten en de honingdauw zwart kleuren. Het goedje dat je dan krijgt, roetdauw genoemd, is de oorzaak ervan dat lindebomen vooral bij autobezitters minder geliefd zijn als stadsbomen. Op de Oude Rijn zagen wij ook enkele roodgekleurde huizen. Die rode kleur hadden ze vroeger al, en was afkomstig van ossenbloed, kennelijk ooit een geliefde kleurstof. Tegenwoordig wordt er natuurlijk gewone rode verf gebruikt bij de restauratie. In de lucht hoorden wij verder het schrille geschreeuw van de gierzwaluwen, die boven de huizen heen en weer vlogen.
Aan het eind van de Oude Rijn kom je op de Hoogstraat. Hier hebben we vanaf de brug omlaag gekeken naar de varentjes die op het verticale deel van de brug groeiden: vooral muurvaren zag je, en verder een groepje eikvarens. In het water zelf zag je de slavormige bladeren van de gele plomp, met daartussen een paar door kwajongens in het water gegooide fietsen. Langs het café "Annie's Verjaardag" lopend, waar de kelners vergeefs naar ons uitzagen, gingen we onder de Visbrug door. Hier lag in de Middeleeuwen een belangrijk verkeersknooppunt. Op de Aalmarkt stonden we een tijdje stil bij de Waag, gebouwd naar een ontwerp van de bekende architect Pieter Post. Hier was het door het gezamenlijk gebeier van de klokken van de Marekerk en de uit de 19e eeuw daterende Hartebrugkerk, die ons om het hardst ter kerke uitnodigden, even wat lastig voor mij om het verhaal te volgen, maar wat wel duidelijk werd, was dat je de invloed van de zure regen duidelijk kon zien aan het reliëf aan de voorzijde, dat een zwart-wit patroon heeft. Ook is op straatniveau de zandsteen beschadigd als gevolg van reeds eeuwenlang urinerende voorbijgangers. Rechts langs de Waag loop je de Mandenmakerssteeg in, waar tegenover een ander reliëf een ruderaal terreintje ligt tussen oude muren. Hier groeien een aantal planten zoals paardenbloem, stinkende gouwe en de gewone melkdistel. Ook staat hier een kunstwerk gemaakt van verroest ijzer. Goed was te merken dat het midden van de Breestraat hoger ligt dan de omliggende straten. Dit komt door een in de loop van de eeuwen opgestapelde berg huisvuil, daterend uit de tijd van de oudste bewoning van Leiden. Langs de Breestraat in de buurt van het warenhuis van Vroom en Dreesman, staat een aantal leibomen, hier geen lindebomen maar platanen, een boomsoort die geen last heeft van neerdruppelende zoetigheid en bovendien een lange wortel heeft waardoor hij zich goed kan verankeren zonder de straatstenen omhoog te duwen. Hierdoor raakt de plataan steeds meer in trek als stadsboom. Verder de Diefsteef in, de Langebrug over naar de Lokhorststraat, waar zich de oude Latijnse school bevindt, een charmant gebouw met een trapgevel in Renaissancestijl waar Rembrandt nog op school gezeten heeft. Tussen al het steen zag je hier en daar kleine geveltuintjes met een vuurdoorn of een roos tegen de gevel van het huis aan.
Het Gravensteen was oorspronkelijk eigendom van de graaf van Holland. Het bevatte eertijds een gevangenis, waarvan je aan de binnenkant nog steeds een aantal van de cellen kunt zien. Deze gevangenis bevond zich in het oudste gedeelte, later is de toren erbij gebouwd, evenals het gerechtsgebouw, waarvan de ingang aan de andere kant ligt, op het Pieterskerkhof. Tegenover het Gravensteen ligt ook de plaats waar in vroeger tijden de misdadigers werden berecht voor het toeziend oog van de omstanders. Door het profiel van de straatstenen kun je nog zien waar vroeger water heeft gelopen en waar het droog was. Op het pleintje staat verder nog een Julianalinde uit 1948.
Op het Pieterskerkhof hebben we de grote paardenkastanjes - nu niet meer in bloei - bewonderd en hebben vervolgens een hier gelegen hofje betreden dat gesticht is door een groep uit Engeland overgekomen Puriteinen die hier een tijdje hebben gewoond, maar waarvan later het grootste deel met de Pilgrim Fathers in 1620 naar Amerika is vertrokken. Voor Amerikaanse toeristen is het hofje een belangrijke trekpleister. Er tegenover staat ook een gedenksteen. Na geconstateerd te hebben dat ook de stenen van de Pieterskerk te lijden hebben onder de zure regen zijn we verdergegaan en via de Nonnenbrug het Rapenburg overgestoken. Het Rapenburg is rond 1200 als verdedigingsgracht gegraven, maar is nu een van de mooiste grachten van Nederland, met zijn statige herenhuizen met prachtige gevels, en het in rode baksteen gebouwde Nonnenklooster, sinds 1575 in het bezit van de Universiteit.
Vervolgens verder langs de Vijfde Binnenvestgracht, die achter de Hortus langsloopt. Het was hier heerlijk rustig, zodat we duidelijk een aantal van de vele vogels die in de Hortus leven, konden horen. Het winterkoninkje, de vink en de merel waren duidelijk te horen, evenals een aantal pimpelmezen. Langs deze gracht staan veel planten, waarvan het zaad uit de Hortus is overgewaaid en die hier zijn verwilderd. Van de meeste konden wij de naam niet thuisbrengen, wel zagen we een peterselievlier en een gewone vlier vlak naast elkaar. Het blad van de peterselievlier is veel dieper ingesneden dan dat van de gewone vlier. De Clusiustuin was helaas gesloten, dus daar zijn we niet binnen geweest. In de Zegersteeg, vlak bij de ingang van het St.Annahofje, zagen we een paar exotische bomen: de vederesdoorn, de vijg met nog onrijpe vruchten, en verder een sering (weliswaar een heester, geen boom), en langs de Kaiserstraat stond een aantal zilveresdoorns waarvan de achterzijde van het blad een grijsachtige kleur heeft, en een metasequioa, die uit China afkomstig is, en lijkt op de moerascipres; beide zijn naaldbomen met in de winter afvallende naalden. Bij de metasequoia staan de naalden echter tegenover elkaar en niet verspreid, zoals bij de moerascipres.
De Kaiserstraat uitlopend zijn we linksaf de Witte Singel opgegaan. Bij de hoek liet zich een grote bonte specht in een van de bomen zien. Hier hebben we een tijdje naar de planten in de berm staan kijken: veel algemene soorten hier, zoals beemdgras, paardenbloem, zachte ooievaarsbek, madeliefje, grote weegbree en ridderzuring. In het water dreven bladeren van de Gele Plomp en de Waterlelie door elkaar. Het blad van de laatste is wat ronder van vorm en heeft een roodachtig randje. Van de Gele Plomp zagen we ook een aantal bloemen in knop, op steeltjes uit het water stekend.
Een van de toegangen van Leiden werd van oudsher gevormd door de Vliet. Nu is het een rustig grachtje met een paar bruggetjes, die onlangs gerestaureerd zijn maar ooit een interessante muurflora herbergden. Helaas is hier niets van overgebleven. Wel aardig was het om te zien dat er nogal wat groen was aangebracht bij de hoek met de Witte Singel. Hier waren verscheidene vogels aan het scharrelen: een groepje huismussen, en een vader pimpelmees die heen en weer vloog om zijn jong te voeren, dat in de struiken zat te roepen. Toen wij echter te lang bleven staan bleef de oudervogel weg, waarop we maar verder zijn gelopen. Langs een van de huizen stond ooit een exemplaar van de gevlekte scheerling, een van de giftigste planten uit onze flora. Bij een restauratie is deze helaas verdwenen. Het is een zeldzame plant uit de schermbloemfamilie. Wel stonden er langs de kant wat bloeiende raketplanten (een kruisbloemige, zoals koolzaad, maar met veel kleinere gele bloemen) en er groeide kruipertje en langbaardgras, twee grassoorten waarvan de eerste op gerst lijkt en zich op eigen houtje langs je lichaam gaat bewegen als je het in je mouw stopt met de steel eerst, en de tweede lange haren aan de aartjes draagt.
Aan het eind van de Vliet zijn wij rechtsaf geslagen, het Rapenburg op en door het van der Werffpark met het standbeeld van de dappere burgemeester van Leiden van der Werff, die tijdens het beleg van Leiden aan de uitgehongerde burgers aanbood om hem maar op te eten - of eventueel alleen zijn arm -, wat overigens niet is gebeurd. Het park zelf dankt zijn bestaan trouwens aan een kruitschip dat in 1807 in het Rapenburg gemeerd lag en vervolgens is ontploft, daardoor alle huizen in de directe omgeving wegvagend. Hierdoor ontstond een lege ruimte die tientallen jaren lang onaangeroerd bleef. Uiteindelijk heeft men besloten om er een park van te maken. In het park staan verscheidene exotische bomen, zoals een Kaukasische vleugelnoot (geloof ik), een gouden regen, een pas aangeplante moerascipres (geschonken door de vertrekkende burgemeester dhr.Goekoop), en een heel oude knoestige plataan, heel anders dan de gladstammige platanen die je meestal ziet. En zo was de wandeling dan bijna ten einde. Na de Nieuwe Rijn te zijn overgestoken zijn we langs de Hooglandse Kerk terug gelopen naar de Burcht, vanwaar ieder zijns weegs ging. Op dat moment brak voor het eerst de zon door.
| Plaats: | Polderpark Cronesteyn |
| Wanneer: | 19 april 2003 |
| Tijdsbestek: | 09:30 - 12:00 uur |
| Door: | Marijke Schellekens |
Ik loop in een groepje met Henk Merts als gids. Hij begint met wat algemene informatie over dit polderpark. Het Bezoekerscentrum Reigersbos is zondags open van half 2 tot half 5. Op het moment (tot en met 11 mei) zijn er twee tentoonstellingen, één van de Natuurgidsencursus over twee landschapslijnen (Vlietlanden naar Wassenaar en rondje Boterhuispolder) en één van kunstenaar Ap van Doorn.
We lopen een route die begint bij het informatiebord bij de spoorlijn-ingang en lopen vervolgens langs de waterspeelplaats.
Behalve de reigers hebben we tot nu toe al aardig wat vogels gezien en/of gehoord:
| blauwe reiger | meerkoet | waterhoen | scholekster |
| wilde eend | kauw | winterkoning | fazant |
| koolmees | zilvermeeuw | fitis | tjiftjaf |
| scholekster | spreeuw | nijlgans | grutto | kievit |
We lopen over een pad van houten paaltjes, een knuppelpad. Dit soort paden werd vroeger al in het veen(moeras) aangelegd. Weer leuke vogels:
Na de moerastuin lopen we weer richting fiets en hebben aan onze linkerhand de sloot, waarvan duidelijk te zien is dat hij een stuk hoger ligt dan de polder er achter. Langs de sloot staan abelen (wiebertjes op de wittige stam) en essen, die al uitgebloeid zijn. In de sloot groeit watermunt, kalmoes, gele lis en lisdodde, nog geen van alle in bloei.
Ik ben altijd weer verbaasd hoe in een polderlandschap, dat ik vroeger maar saai vond, zo ontzettend veel leven is! Bolkesteijn zei ooit over het Groene Hart: "Ik ben er door heen gereden en geloof me: daar is niets!" ... en ik voelde met hem mee!
Toen ik hier vier jaar geleden voor het eerst kwam ging er een wereld voor me open en die gaat steeds wéér en verder open, want ik weet steeds beter wat ik (waar en waarom en wanneer) zie en hoor en ruik! En dát is genieten!
| Plaats: | Katwijk |
| Wanneer: | 5 april 2003 |
| Tijdsbestek: | 09:30 - 12:00 uur |
| Weer: | Zwaar bewolkt |
| Wind | Noord |
| Temperatuur | ± 7,5 ° C |
| Door: | Anneke Drijver |
Vervolgens werd de groep gesplitst in een plantengroep en een kor-groep. Ook het inventariseren van de plantjes die op dat moment te zien waren had ik eveneens uitbesteed, en dank zij hen kan ik de onderstaande vondsten weergeven.
Op 5 april waren de volgende planten op en rond het strand te zien:
Ondertussen waren sommigen toch koud geworden.
Stilstaan en kijken gaat niet in de …. zitten. Gelukkig boden thermosflessen met thee, chocomel of koffie weer enige warmte.
Na de uitleg over het kor-net kon het warm lopen beginnen. Na het uitzetten van het net werden vele meters af gelegd in de hoop een super vangst uit zee te slepen. Vol verwachting werd het resultaat in de bak gestopt en bekeken.
De vangst bleek enorm. Scheermesjes, scheermesjes, scheermesjes en nog vééééél meer scheermesjes. Een flinke berg scheermesjes, wat natuurlijk tot gevolg had dat we van alles over scheermesjes konden vertellen en laten zien. Het scheermesje kwam dan ook uitgebreid aan de orde.
Ook na wisseling bleek de tweede groep niets anders uit zee gevist te hebben. Een tweede berg….. Na stug doorzoeken vonden we hiertussen zowaar nog een alikruikje, konden we ook nog iets anders vertellen!
Wel konden we een prima link naar de theorie avond leggen. Met noorden wind is de vangst minimaal; alles stroomt langs de kust voorbij, we hebben het allemaal kunnen zien. En we hebben geleerd dat noorden wind en scheermesjes enorm goed samen gaan.
Ondertussen werd ik van verschillende kanten verrast met de schelp van de ruwe boormossel. Deze ontbrak in mijn verzameling en dankzij een paar goede speurneuzen kan ik bij een volgend strand practicum een exemplaar meenemen. Nogmaals dank!
Dorst en koude brachten ons er toen toe om toch echt een strandtent op te zoeken. Daar was het heerlijk toeven en konden alle bijzondere strandvondsten bewonderd worden. Naast een prachtige dubbele oester waren er diverse onderdelen van krabben en was er een bijzondere vondst die maar door weinige herkend werd: een heuse Mangopit. Het verblijf in zee had het uiterlijk van deze pit dusdanig doen veranderen dat het voor sommigen een 'uso' (unidentified sea object) was geworden.
Weer lekker doorgewarmd ging een ieder weer zijn of haar weegs en kwam er een einde aan het onderdeel strand van de landschappen cursus.
| Plaats: | Oud Poelgeest |
| Wanneer: | 22 maart 2003 |
| Tijdsbestek: | 09:30 - 12:00 uur |
| Door: | Martine Jager |
Oud Poelgeest is een oude heerlijkheid. Er stond hier al een burcht rond 900, en de Bisschop van Utrecht zwaaide hier de scepter. Rond 1600 is het huidige kasteel gebouwd en pas later zijn de versieringen aangebracht om het wat eleganter te maken. Waar de oprijlaan in Franse stijl is, zijn de doorkijkjes en kronkelende paden Engelse stijl. Het beheer is in handen van het Zuid-Hollands landschap. Recent zijn er langs de weg naar Leiden populieren omgezaagd, en dat ziet er wat treurig uit. Er zijn echter allerlei jonge bomen aangeplant om voor een goede toekomst van het bos zorg te dragen.
Tijdens de wandeling was het duidelijk dat de lente echt net begonnen was. Er waren nog bijna geen bladeren te zien, maar de meeste bomen toonden stevige knoppen. De eerste kastanjeknoppen toonden hun minuscule blaadjes, de esdoorn- en beukenbladen waren nog niet te zien. In het bos was de Amerikaanse vogelkers al duidelijk getooid met bladeren, terwijl ook een enkele vlier al echte bladeren droeg. Terwijl een meidoorn bij de ijsbaan al bladeren had, toonde een andere meidoorn achter het laatste bruggetje nog geen enkel blad.
Hoog in de bomen was alles nog kaal. Dit gaf een goede gelegenheid om vogels waar te nemen. In één van de grote eiken langs de weg naar Leiden zagen we drie grote bonte spechten. Terwijl wij stonden te kijken zagen we een "muisje" tegen de takken oplopen: een boomkruiper. Tijdens de verdere wandeling zagen we er nog een half dozijn. Een week eerder zagen we hier twee vuurgoudhaantjes.
Verder hoorden en zagen we meerdere winterkoninkjes, en achter op het terrein klonk de tjiftjaf (zelfde plaats als vorig jaar). Hier waren ook enkele staartmezen te zien. Op het eind van de excursie probeerden we de groene specht die we hadden horen lachen op te sporen, maar in plaats daarvan hoorden we een andere vogel die wij niet meteen konden thuisbrengen. Tenslotte zagen wij hem, met isabelkleurige buik: de boomklever, die ook met zijn kop naar beneden over de boom kan lopen. Hij liet zich geweldig bekijken. In de lucht boven het park vloog op dat moment ook nog een sperwer, en in een andere boom zaten twee halsbandparkieten van elkaar te genieten. Echt een mooi begin van de lente.
De mooiste stinzenplanten zagen we op het eind van de wandeling. Vlak voor het koetshuis is een veldje met allerlei bloemen, en hier konden wij de voorjaarshelmbloem en de holwortel met elkaar vergelijken. De eerste heeft wat roze-paarse blaadjes en vingervormige groene tussenblaadjes, de tweede heeft meer rechtopstaande bloemtrossen met kleine donkergroene steunblaadjes tussen de gekleurde bloemen in. Naast elkaar stonden witte en paarse holwortels. Verder was er een veldje geel speenkruid en er groeiden paars-blauwe sterhyacinthen. De grote gele narcissen staken stralend boven alles uit. Veel sneeuwklokjes waren al uitgebloeid, maar achter in het bos stonden er nog een paar fraai in bloei. Achter het koetshuis komen voorjaarszonnebloemen op, en op het veldje achter het kasteel staat vogelmelk. Overal in het bos stonden Italiaanse en gevlekte aronskelk. De grond wordt verder al aardig groen van zevenblad en fluitekruid.
Bij het begin van het park staan veel daslook planten. André groef er één op en we zagen een langwerpige knol waar de steel rechtop uit tevoorschijn kwam. De daslook kan zich vermeerderen via zaad en via vermeerdering van knolletjes. Ze groeien vooral in velden. Dit is ook het geval met de bosanemonen, die zich via wortelstokken uitbreiden. In de loop van de ochtend openden de bloemen zich en gaven een mooie schoonheid aan de ondergrond.