Bosexcursie in landgoed Oud Poelgeest in Oegstgeest d.d. 10-04-1999
Strandexcursie Katwijk d.d. 17-04-1999
Polderexcursie in Polderpark Cronesteyn in Leiden d.d. 24-04-1999
Duinexcursie bij Duindamseslag in Noordwijk d.d. 15-05-1999
Stadsexcursie binnenstad van Leiden d.d. 30-05-1999
Keuze-excursie bij Starrevaartplas d.d. 05-06-1999
Verslag Bos-excursie
| Plaats: | Oud Poelgeest |
| Wanneer: | 10 April 1999 |
| Tijdsbestek: | 09:30 – 12:00 uur |
| Door: | Sjaan van Agtmaal |
De Wandeling:
Lijst aangetroffen vogels:
Eend
Groene Specht
Grote Bonte Specht
Halsbandparkiet
Kauw
Koolmees
Kuifmees
Meeuw
Merel
Roodborst
Sperwer
Tjif-tjaf
Winterkoning
Zwartkop

Verslag van de strandexcursie
| Plaats: | Strand bij Katwijk ten noorden van de monding van de Oude Rijn. Vertrek vanaf de sluis. |
| Wanneer: | 17 April 1999 |
| Tijdsbestek: | 12.00 - 15:00 uur |
| Door: | Wouter Gerstel |
Vissen:
Planten: vooral interessant is de diversiteit en aanpassing aan barre omstandigheden:
Vogels:
Verslag Polder-excursie
| Plaats: | Polderpark Cronesteyn in Leiden |
| Wanneer: | 24 April 1999 |
| Tijdsbestek: | 09:30 - 12:30 uur |
| Weer: | Afwisselend bewolkt, droog, ong. 17° C, windkracht 3. |
| Door: | Henk Merts |
Planten
Struiken en bomen
Vogels
Insekten
Zoogdieren
Verslag Duin-excursie
| Plaats: | Duinen bij Duindamseslag in Noordwijk |
| Wanneer: | 15 Mei 1999 |
| Tijdsbestek: | 09:30 - 12:30 uur |
| Weer: | Afwisselend bewolkt, droog, ong. 17°C. |
| Door: | Tine Noordzij |
De wandeling voerde van de oudere binnenduinen door de duinvalleien naar de top
van de laatste jonge duinen. Duur van de wandeling ong. drie uur.
13 deelnemers, 6 gidsen.
Struiken:
Bomen:
Paddestoelen:
Insecten:
Vogels:
| Plaats: | Binnenstad van Leiden |
| Wanneer: | 30 Mei 1999 |
| Tijdsbestek: | 10:00 - 13:00 uur |
| Weer: | Afwisselend bewolkt, droog, ong. 17°C. |
| Door: | André Biemans |
Een natuurexcursie in de Leidse binnenstad
Mij is gevraagd om verslag te doen van de natuurgerichte Leidse stadsexcursie van de landschappencursus
van het IVN. Na enige terechte aarzeling heb toch toegegeven aan deze smeekbede.
Waarom deze aarzeling? Omdat mijns inziens natuur in de stad een slap aftreksel is van - of meer nog een
parodie op - het ongelooflijk gevarieerde en ingewikkelde systeem van interacties tussen organismen
onderling en tussen deze organismen en hun omgeving in een situatie waarin de mens niet zo waanzinnig
dominant is als in een stedelijke omgeving het geval is.
Regelmatig wordt ons voorgehouden dat "de natuur" haar gerechte plaats inneemt als de mens "niets" doet
(de aanhalingstekens zijn van mijzelf), daarbij verwijzend naar de schamele ruigtekruiden die in een
verloren hoekje opspruiten temidden van het grauwe gesteente. Deze plantjes maken echter nauwelijks of
geen deel uit van een ecosysteem zoals hierboven genoemd. Grote ogen worden opgezet als tijdens
een stadsexcursie wordt verteld dat een bepaalde plant voor zijn verspreiding (soms) afhankelijk is van mieren,
en dat het sap van de plant gebruikt kan worden om wratten mee te behandelen. Slechts twee mogelijke
ecologische relaties dus, hoewel vrijwel niemand de plant nog gebruikt voor een kuur tegen wratten.
Waar zijn al die andere talloze dieren en planten die direct of indirect een relatie hebben met deze plant?
Niet in de Leidse binnenstad, da's duidelijk.
Het blijkt al gauw dat de fraaiste stukjes natuur in Leiden een sterk cultuurlijk karakter hebben:
tuinen, parken, perken en laanbomen, waarbij exotische experimenten eerder regel dan uitzondering zijn.
Zonder menselijk ingrijpen kunnen deze elementen in hun huidige vorm onmogelijk stand houden.
Met dit in het achterhoofd volgt nu dan het verslag van de excursie.
Waar spreek je af voor een excursie in de binnenstad van Leiden? Juist, bij De Burcht dus, markant en
vrijwel niet te missen middelpunt van oud-Leiden.
Natuurlijk heeft niemand oog voor de fossiele afdrukken in de natuurstenen ornamenten,
afkomstig van zeewezens die luttele honderden miljoenen jaren eerder leefden. Sommige van die
ornamenten zijn overigens van kalksteen gemaakt, wat als nadeel heeft dat ze niet opgewassen zijn tegen de
tand des tijds. Vooral onze tijd heeft scherpe tanden, ook wel zure regen genoemd. De kalk lost daardoor
extra snel op, zodat de contouren van elk beeldhouwwerk uiteindelijk verdwijnen als sneeuw voor de zon.
Rondom èn in De Burcht staan enkele fraaie monumentale bomen. Buiten de vestingmuur staat o.a. een enorme rode beuk met zijn onnatuurlijke rodekoolkleurige loof en aan de basis van de stam een indrukwekkend vlechtwerk van arm- en beendikke wortels. Ook enkele oude, dikke vlieren, zoals je ze nog zelden ziet in onze omgeving, staan volop te bloeien. Een forse treurbeuk op leeftijd bewijst dat bepaalde vormen van genetische manipulatie al wat langer worden beoefend dan vandaag. Even verderop beleeft een grote populier wellicht zijn laatste dagen, aangezien zijn maximaal (door de mens) toegestane leeftijd zo'n beetje is bereikt. Elk jaar wordt deze snelgroeiende "popel" namelijk een beetje vatbaarder voor ziekten, aantastingen en stormwinden. Een natuurlijk verloop van leven en sterven is niet wenselijk in een omgeving waarin verkeersongelukken kennelijk sneller geaccepteerd worden dan vallende stukken hout.
In De Burcht zelf staan twee grote (groene) beuken en een iep. Door over de transen te lopen kun je het
bladerdek van nabij bekijken. Identificatie van de bomen wordt zo wel erg makkelijk: de iep heeft namelijk
ruwe bladeren met een scheve bladvoet, terwijl de beuk tamelijk gladde blaadjes heeft met "wimper"-haren
langs de rand.
Uitkijkend over de daken van Leiden besef je dat gevarieerde natuur in de stad een zeldzaam, zoniet
onmogelijk verschijnsel is. In vroegere tijden was De Burcht zelfs het enige stukje groen in Leiden met
een omvang van meer dan enkele vierkante meters. De stad was toen natuurlijk een stuk kleiner dan vandaag.
Door toe-eigening van onder meer Leiderdorps grondgebied en door "ongelukjes" (zie verderop in dit verhaal)
ontstonden er in de afgelopen eeuwen meer mogelijkheden om grotere stukjes stadsgroen te creëren.
Het ging dan natuurlijk altijd om een strikt ingeperkte vorm van natuur, ingericht volgens een bepaalde
architectonische stijl en volgens de toen heersende esthetische normen en functionele toepassingen.
Een leuk klassiek voorbeeld van dat laatste is de - vrij recente - prieellinde bij het restaurant Het Koetshuis,
waaronder het inderdaad aangenaam toeven is als de koperen ploert zich laat gelden.
Genoeg getalmd...! Lopend door de Burchtsteeg richting Oude Rijn maken we kennis met een oude overhangende Mispel, als soort ooit door de Romeinen hier naartoe gevoerd vanwege zijn zoetzure vruchten. Langs een zuidmuur staat een verwilderde Nieuw-Zeelandse Kiwi (de plant, niet het dier) voor altijd vruchteloos te wezen omdat de plant nu eenmaal tweehuizig is. In de muur zelf heeft een schamel klimopje kans gezien om te wortelen. Hoewel de hechtranken van deze plant geen kwaad kunnen, zijn de wortels van een heel ander kaliber: in de loop van (vele) jaren kan een muur hierdoor volledig ontzet raken.
Langs de Oude Rijn blijken de lindes "gekonfijte" bladeren te hebben als gevolg van de honingdauw die de talloze bladluizen afscheiden. Even likken aan de glimmende bladeren doet ons begrijpen waarom mieren zo verzot zijn op dit goedje. Behalve de bladluis heeft ook een schildluis massaal zijn intrek genomen in alle lindebomen die we tijdens onze excursie tegenkomen, hoewel zij een duidelijke voorkeur hebben voor de stam en de dikkere takken. In deze tijd van het jaar hebben alle volwassen schildluizen al het loodje gelegd. Alleen de vrouwtjes hebben opvallende sporen achtergelaten: hun rugschild als extra bescherming voor het spinsel met de honderden roze eitjes erin. Ofschoon een boeiend verschijnsel, is een dergelijk massaal voorkomen van een soort niet anders te zien als een plaag zoals in een stedelijke omgeving wel vaker het geval is.
Aan de zuidzijde van het bruggetje naar de Donkersteeg (van "donk" oftewel een soort oeverwal of dijkje, in dit geval langs de deels voormalige Mare) klampen zich enkele muurvarentjes wanhopig vast, totdat ook deze brug wordt gerestaureerd met behulp van het keiharde portlandcement: exit muurvegetatie in Leiden dus. We vervolgen onze weg over de vlonder langs Annie's Verjaardag, voorheen enkele middeleeuwse opslagkelders die onlangs zijn herontdekt en in hun oude staat zijn hersteld. De aanwezigheid van deze kelders wordt uniek geacht voor deze streek omdat dergelijke bouwsels hier in theorie al snel zouden wegzakken in de overheersend venige ondergrond. We moeten echter niet vergeten dat in het oude stroombed van de Rijn relatief veel zand en grind is afgezet terwijl de echte veenpakketten zich verder van de rivier bevinden. De kelders zouden dus wel degelijk op stevige ondergrond gefundeerd kunnen zijn.
Even later zien we ook bij het Waaggebouw de onmiskenbare sporen van zure regen: het reliëf op de voorgevel is nog wel te herkennen voor wat het is, echter de gezichten van de personages zijn nauwelijks nog als zodanig te herkennen. Jammer, maar we lopen gauw verder door de Mandenmakerssteeg waar wij lichtelijk geshockeerd worden door het esthetisch equivalent van een slordige hoop roestige metalen balken, namelijk een aaneengeflanste hoop roestige metalen balken, tentoongesteld op een ruïneus binnenplaatsje. Er omheen doet het leven krampachtige pogingen om het bouwwerk te hullen in een groene mantel. Mocht het daar ooit in slagen, dan zou dat waarlijk een boeiende tegenstelling vormen tussen de levende, plastische natuur en het dode, inerte ijzer.
Op de Breestraat aangekomen, valt meteen de nieuwe inrichting op: nieuwe bestrating van de trottoirs in een levendige kleur, en zowaar een groot aantal lijplatanen die met een ijzeren rek gedwongen worden om in een verticaal plat vlak te groeien. Mogelijk is hier voor platanen gekozen omdat deze bomen vrij goed tegen luchtverontreiniging kunnen, zelfs nog beter dan lindes. We steken gauw over en verdwijnen schielijk in de Diefsteeg, in vroeger tijden de vaste route om dieven en aanverwant schuim van het stadhuis naar het schavot te voeren (ter leeringh ende vermaeck).
Op weg naar het Gerecht passeren we enkele verwaarloosde geveltuinen en bloembakken met veel opgeschoten ruigtekruiden, hoewel er soms ook wel iets moois tussen blijkt te zitten. Nabij het Gerecht staat een trotse Julianalinde, uiteraard bezaaid met schildluizenkapsels. In het plaveisel is nog altijd aangegeven waar de greppel of het grachtje liep dat het schavot scheidde van de rest van het plein. De greppel diende om het enthousiaste publiek tijdens het populaire (doch educatieve) volksvermaak bij hun kortstondige idolen vandaan te houden.
Natuurlijk gaan we nog even bij de Pieterskerk kijken. Deze oude kerk, van oorsprong een kapel uit 1045 en gewijd aan Petrus en Paulus in 1121, is vanaf de 13e eeuw regelmatig uitgebreid als gevolg van het groeiende aantal inwoners van Leiden. We gaan ook nog even koekeloeren in het Jan Pesijnhofje, voorheen het logistieke centrum van de eerste Pilgrimfathers. Stilletjes, om de brave bewoners van dit verbazend rustige stukje Leiden niet te ontrieven, stellen wij vast dat de gemeenschappelijke tuin er heel netjes (te netjes?) uitziet. Waren de hofjes in de middeleeuwen nog bestemd voor brave, godvrezende armoedzaaiers, tegenwoordig zijn ze erg populair bij mensen die rust en sociale controle op prijs stellen en daar graag voor willen betalen.
Vanuit de gezellig ogende Kloksteeg betreden wij het Rapenburg. Deze gracht werd ooit in recordtijd gegraven als vestinggracht tijdens de zogenaamde Loonse Oorlog (1204 n.C.: de stad reikte toen niet veel verder dan de Pieterskerk). Hier zien we gierzwaluwen "gierend" overvliegen, met hun lange sikkelvormige vleugels de meesters van het luchtruim. Gierzwaluwen verkiezen van nature rotsachtige biotopen voor hun nesten, en koloniseerden ons lage landje daarom pas toen kunstmatige rotslandschappen, in de vorm van steden, verrezen uit het slijk van onze rivierdelta.
Verplaatsen wij onze aandacht van de lucht naar de - eveneens - rotsachtige bodem dan zien we tussen de straatstenen een andere voormalige exoot: de Schijfkamille. Dit taaie plantje groeit van nature in het noordelijke Pacifische gebied en is in de vorige eeuw naar Europa gevoerd en aangeplant in botanische tuinen, van waaruit zij spoedig verwilderde. Schijfkamille heeft enkele masochistische karaktertrekjes aangezien zij een voorkeur heeft voor verharde, dichtgestampte of -gereden grond en zich zelfs optimaal voelt als zij regelmatig met voeten wordt getreden. Waar andere planten bezwijken onder het gewicht van de beschaving, weet deze plant zich met zijn veerkrachtige structuur te handhaven, daarbij overigens laag bij de grond blijvend. De bolle, wat kegelvormige bloemhoofdjes zijn geelgroen en geven bij kneuzing een ananasachtige kamillegeur af.
In de Nonnensteeg zien wij voor de zoveelste keer de Stinkende gouwe langs de gevels staan. De gele kruisbloemetjes zijn nog te zien terwijl de eerste hauwtjes, een soort peultjes, al rijp beginnen te worden. De zaadjes hebben een voor mieren smakelijk aanhangsel, het mierenbroodje. Geheel onbewust verspreiden de mieren, druk doende om de lekkernij naar het nest te brengen, de zaden van de plant langs de aanvoerroute. Het oranje sap van de plant is vrij giftig en maakt hem verder oneetbaar, doch uitermate geschikt om wratten mee te behandelen.
We komen uit op de 5e Binnenvestgracht, misschien wel het rustigste straatje van Leiden. Direct aan de overkant van dit bescheiden grachtje verrijst de muur rondom de Hortus Botanicus. Voor de echte plantenliefhebber is een bezoekje aan de Hortus een regelrechte aanrader. Een bezoek is echter niet inbegrepen bij onze excursie en we lopen dus gauw verder. Tegen een hoge tuinmuur groeit een Japanse duizendknoop, een fraaie exotische plant voor in de tuin totdat je erachter komt dat het met zijn taaie wortelstokken in sneltempo elk beschikbaar plekje in bezit neemt. De plant die we hier zien is waarschijnlijk slechts een uitloper die onder de muur door is gekropen. Je zou je trouwens kunnen afvragen of er wellicht nog nieuwe exotische planten zijn ontsnapt uit de Hortus, wat vroeger toch met de regelmaat van de klok scheen te gebeuren. Na nog even een verlangende blik op de Clusiustuin te hebben geworpen (helaas, geen tijd) slaan we linksaf en naderen St.Anna's hofje. Hoewel het hofje (m.i.) zelf weinig voorstelt, groeit er bij de ingang wel een prachtige vijg... met vruchten! Hieraan kun je aflezen dat de op ‚‚n na laatste winter zacht is geweest op dit beschutte plekje. De jonge scheuten van de voorafgaande zomer zijn namelijk erg gevoelig voor bevriezing en sterven in een strenge winter af. Aangezien de vijg bloeit en vrucht draagt aan tweejarige takken betekent vorst dus minstens twee jaar wachten tot een volgende mogelijke oogst.
Via de Bakkersteeg lopen we naar De Vliet waar we ontdekken dat de fraaie bruggetjes drastisch worden
(of al zijn) gerenoveerd, wat natuurlijk de doodsklap betekent voor muurplantjes als Muurleeuwenbek en
Muurvaren.
Even verderop staat voor het raam van een van de huizen een plant die iets wegheeft van een grote
Fluitenkruid. De waarheid is minder onschuldig: het is de Gevlekte scheerling, één van
de dodelijk giftige planten van Nederland. De purperbruine vlekken op zijn stengel geven uitsluitsel.
Volgens (één van) de overleveringen was de gifbeker van Socrates met deze plant bereid.
We lopen gauw door voordat iemand wellicht op een idee wordt gebracht.
We zijn weer aangeland op het Rapenburg en zien tussen de stenen, boven op de kademuur, warempel de opengesprongen zaaddoosjes van de Vroegeling staan. Vroegeling is een klein iel plantje dat in de herfst ontkiemt en een bladrozet vormt, als zodanig overwintert en in het voorjaar bloeit en zaad zet om vervolgens af te sterven aan het begin van de zomer. Het zaad overzomert. Hier staat natuurlijk ook het Kruipertje, een grassoort en familie van de Gerst. Het is een uitgesproken cultuurvolger en groeit waar de mens zijn invloed laat gelden. Betreding, verstoring en hondenpoep geven hem een voordeel ten opzichte van veel andere planten. Als je de aar van het Kruipertje in de mouwopening van je trui schuift (kafnaalden naar onder gericht), schuift het bij elke beweging van je arm verder naar boven doordat de lange kafnaalden terugglijden verhinderen. Zodoende naderen wij het Van der Werfpark.
Het is nooit echt de bedoeling geweest om hier, in de Leidse binnenstad, een park te stichten. Een ongeluk zit echter in een klein hoekje, en toevallig was het dit hoekje van Leiden. Ergens in de 18e eeuw (ik ben niet zo goed in jaartallen), zo rond kerstmis, lag een schip volgeladen met kruit afgemeerd langs de kade van de Steenschuur. Enkele leden van de bemanning, inclusief de kapitein, waren nog aan boord om het zaakje te bewaken. In die tijd wist men natuurlijk nog niet dat roken slecht was voor de gezondheid, dus... de rest kun je wel raden. Van Raamsteeg tot Zonneveldstraat en van Doezastraat tot Garenmarkt werden de dicht opeenstaande huizen door de ontploffing met de grond gelijk gemaakt. De dreun was te horen in Alphen. Gelukkig waren de meeste huizen in Leiden in die tijd al uit steen opgetrokken, zodat een grote allesomvattende brand de stad bespaard bleef. Na de ramp besloot men van dit gebied dan maar een park te maken, in eerste instantie bijna twee keer zo groot als het huidige park. Later werd daar wat van afgeknaagd door de bouw van het Museum voor Natuurlijke Historie aan de Raamsteeg. Aan de overkant van de gracht verrees wat nu het Kamerlingh Onneslaboratorium is. Beschadigde huizen werden opgelapt en kruitschepen werden voortaan verboden in de stad. Op de plaats van het Kruytschip werd een gedenksteen ingemetseld in de kademuur.
De opzet van het parkje is klassiek. Een aantal fraaie monumentale bomen domineert het geheel, gazons die ruimte bieden aan sociaal (en soms cultureel) verkeer, en enkele bosschages voor als je het niet meer op kunt houden. Minstens een van de bomen (een bonte esdoorn, geloof ik) is onder handen genomen door een boomchirurg: het rotte kernhout is verwijderd en metalen stangen zijn ervoor in de plaats aangebracht. De boom kan zo nog wel een tijdje voortleven, maar natuurlijk is anders. Behalve bonte esdoorns met hun geel-en-groen blad (een soort doorgekweekte mutatie), staan er ook enkele grote Goudenregens, taxussen, Moerascipressen, een Atlasceder (waarschijnlijk), een Kaukasische vleugelnoot, paardenkastanjes en, bij de uitgang, een enorme, oude plataan.
We nemen de kortste weg naar de Hooglandse Kerk. Deze kerk (in 1315 gewijd aan Sint Pancras) is niet zo oud als de Pieterskerk en is bovendien van oorsprong een Leiderdorpse kerk. Leiden beperkte zijn gemeentegrenzen in de 14e eeuw namelijk nog tot de hoge (zuid)zijde van de Oude Rijn. Een groot gedeelte van de inwoners van Leiderdorp woonde in de 13e eeuw op het westelijke gedeelte van het Waardeiland. Omdat zij geen zin hadden om elke keer kilometers naar de officiële Leiderdorpse kerk te lopen, verkozen zij de oversteek naar de Pieterskerk. Een flink bedrag aan collectegelden ging dus aan de neus van de Leiderdorpse kerk voorbij. Uiteindelijk gaf de bisschop van Utrecht daarom toestemming om op het Hogeland, tussen "twee nieuwe grachten" (Hooigracht en Hooglandse Kerkgracht) een kapel te bouwen die in de loop van de tijd regelmatig werd verbouwd en uitgebreid, mede als gevolg van de concurrentiestrijd met de Pieterskerk. Men had grootse plannen voor de Hooglandse Kerk: de toren zou hoger en mooier worden dan die van de Pieterskerk en het schip zou doorlopen tot aan de Nieuwe Rijn. Helaas was zo rond 1550 het geld op, wat verklaart waarom de toren eindigt in een houten "prothese" en het middenschip wel afgekapt lijkt, zodat de hoofdpoort uit pure armoe maar in het oorspronkelijke dwarsschip is geplaatst.
De wandeling is hiermee ten einde, de deelnemers haasten (zelfs op zondag zijn de agenda's blijkbaar volgepland) zich naar huis, terwijl de leiding nog even het Koetshuis induikt om te "evalueren".
Verslag Keuze-excursie naar de Starrevaartplas
| Plaats: | Starrevaartplas in Leidschendam |
| Wanneer: | 5 juni 1999 |
| Tijdsbestek: | 07:30 - 10:00 uur |
| Weer: | geheel bewolkt met regen windkracht ± 3 temperatuur ± 17 °C.
|
| Door: | Henk Merts |
| Waagenomen vogels (39 soorten) | ||
|---|---|---|
| Eenden/zwanen/ganzen [9] | ||
| bergeend | 6 | |
| grauwe gans | 60 | |
| kuifeend | 30 | |
| knobbelzwaan | 6 | |
| nijlgans | 15 | |
| rosse stekelstaart | 2 | |
| slobeend | 8 | |
| tafeleend | 30 | |
| wilde eend | 25 | |
| Meeuwen / sterns [5] | ||
| kleine mantelmeeuw | 20 | |
| kokmeeuw | 400 | |
| stormmeeuw | 1 | |
| visdiefje | 1 | |
| zilvermeeuw | 10 | |
| Overige [11] | ||
| aalscholver | 8 | |
| blauwe reiger | 1 | |
| fazant | 1 | |
| fuut | 8 | |
| geoorde fuut | 6 | |
| gierzwaluw | 120 | |
| kluut | 4 | |
| meerkoet | 30 | |
| scholekster | 10 | |
| steltkluut | 2 | |
| ||
| tureluur | 2 | |
| Zangvogels [14] | ||
| ekster | 1 | |
| fitis | 3 | |
| grasmus | 1 | |
| kleine karekiet | 5 | |
| koolmees | 1 | |
| merel | 1 | |
| putter | 2 | |
| rietzanger | 1 | |
| spreeuw | 40 | |
| tuinfluiter | 5 | |
| winterkoning | 2 | |
| witte kwikstaart | 1 | |
| zwarte kraai | 1 | |