Natuur-gedichten en limericks

Gedichten verzameld door:
Hans Reijngoud en Henk Merts

Vogels en poëzie

Aalscholvers Kees Stip
Klein vogeltje Simon Knepper
De fuut Ivo de Wijs
Roodborstje Nico Scheepmaker
Dag zwanen Annie M. G. Schmidt
Zwanen Theo van Baaren
Ik wou dat ik een vogel was Henk van Zijp
Gierzwaluwen Guido Gezelle
In mei Twee gedichtjes
Pauw Vlaamse rijmspreuk
Nijlganzen Henk Merts
Eendjes voeren Hans Dorrestijn
De ooievaar Hans Waren
Het liedje van de vinkenier Vlaams gedicht
Een vinkske René de Clerq
Een vogelaar Riny Assink

Insecten en poëzie

Hommelrijm Toon Hermans
Verlaten Drs. P
Het schrijverke Guido Gezelle
Landkaartje Rob Chrispijn
Heidelibel Martin Melchers
Sprinkhaan Marius Koppijn
Zoo welkom als de bie Guido Gezelle

Diversen-poëzie

De Koe K. Schippers
Gingo bilobaJohann Wolfgang von Goethe
Jantje zag eens pruimen hangen Hieronymus van Alphen
Herinnering aan Holland H. Marsman
Marietje was bang voor water en zeep Annie M. G. Schmidt
Klimop Toon Hermans
Perzik Hieronymus van Alphen
Stekels & Distels Boerenrijm
Bomen over bomen Ernst van Altena

Zeven kikkertjes Jaap Molenaar

Aalscholvers denken allemaal:
"Kun je nog scholven, scholf dan aal."
Doch door de golven diep bedolven
wil weinig aal zich laten scholven
Zo scholft zo'n beest zich uit de naad
terwijl het woord niet eens bestaat

Kees Stip


Naar het begin van deze tekst

Klein vogeltje zwierezwaait hoog in de lucht
Men hoort er zijn fluitertje schallen
Een vleugeltje links en een vleugeltje rechts
Om niet op zijn bekje te vallen.

Simon Knepper


Naar het begin van deze tekst

De fuut

(Waarom zou vader fuut zijn jongen dragen?
Kijk, zoiets moet je aan de kenners vragen!)

De eerste kenner wijst op het gevaar
Van onverhoeds omhoogkomende snoeken
Beducht voor die moordlustige bezoeken
Zegt hij, beschermt de fuut zijn kinderschaar

De tweede kenner schudt het hoofd - en zucht
Het hemelruim zit juist vol kinderrovers!
De ouders fuut fungeren als klaar-overs
Uit doodsangst voor een aanval uit de lucht

De derde kenner houdt een resoluut
College over warmtecirculatie
De vierde heeft een Freud-interpretatie
Maar niemand vraagt het aan de kleine fuut

Toch zou die kleine fuut een heel secuur
En hoogst verstandig antwoord kunnen geven
Wie weet er voor een kind een mooier leven
Dan op zijn vaders rug door de natuur!

Uit Vroege Vogels Vlinders van Ivo de Wijs


Naar het begin van deze tekst

Roodborstje

Soms tikt een gedicht op het raam
Ik sta op en laat hem erin
Een enkele keer heeft dat geen zin
Ik voed hem en geef hem een naam

Maar soms denk ik: ach laat maar staan
Al regent het nog zo hard
Vandaag ben ik boe en geen bard
Hij mag naar een ander toe gaan.

Dat doet hij dan ook na een tijd
Hij vliegt mijn gezichtsveld uit
En meteen daarop heb ik spijt:
Geen lente en geen nieuw geluid

Zo ging al zo dikwijls de Mei
van Gorter mijn neus voorbij.

Uit "De gedichten" van Nico Scheepmaker


Naar het begin van deze tekst

Dag zwanen

En dan de zwanen nog, wat zeg je van de zwanen
't is niet bepaald een Topic of the Day
Maar ach ik loop een beetje langs de lanen
En zie er twee

Achthonderd dichters hebben al gezegd
Dat ze zo roerloos op de waterspiegel drijven
En dat ze statig zijn, jazeker, en terecht.
Ik hoef dat dus niet nog eens op te schrijven

Maar wat mij altijd opvalt in zo'n zwaan
Hij heeft het allemaal allang bekeken
Noch Billy Graham noch McCarthy gaat hem aan
Hij wil er dan ook met geen woorden over spreken.

Hij twijfelt niet wat hij moet doen in z'n gezin
Hij weet het allemaal vanzelf, daar in dat water
En hij zegt nooit tot zijn hooghartige vriendin:
Het ligt aan jou, je moet eens naar de psychiater.

Dat is dus zeer benijdenswaardig, en we moeten
Meer over zwanen praten en vooral een keer
naar het plantsoen gaan en ze heel eerbiedig groeten.
Dag zwanen. Kom daar gaan we dan maar weer.

Uit "Tot hier toe" van Annie M. G. Schmidt


Naar het begin van deze tekst

Zwanen

Ik heb de zwanen vaak benijd.
Niet om hun dobberen op de vijver,
maar om de onvermoeide ijver
waarmee men ze gedichten wijdt

Uit "Hoe-korter-hoe liever" van Theo van Baaren

Naar het begin van deze tekst

Ik wou dat ik een vogel was

Ik wou dat ik een vogel was,
en heel goed vliegen kon.
Een stukkie op me ruggetje
heerlijk in de zon.

Heel hoog daar in de hemel,
daar waar de wolken zijn.
Dan met een rotgang naar benee,
dat lijkt me echte gijn.

Ik scheer dan met mijn buikie,
bijna langs de grond.
En vlieg dan nog een beetje,
daarzo in het rond.

Ik schiet dan als een vuurpijl,
met een bloedgang weer omhoog.
Het zou een vaartje wezen,
wat er zeker niet omloog.

Ik zou dit zeker doen,
zeker keer op keer.
En als ik dan ging slapen,
had ik me daggie weer.

Uit "De eerste eieren komen weer"
van: Henk van Zijp

Gedichten-site Seipie


Naar het begin van deze tekst

Gierzwaluwen

"Zie, zie, zie,
zie! zie! zie!
zie!! zie!! zie!!
zie!!!"
tieren de
zwaluwen,
twee-driemaal
drie,
zwierende en
gierende:
"Niemand, die...
die
bieden de
stiet ons zal!
Wie, wie? Wie??
Wie???"

Piepende en
kriepende
zwak en ge-
zwind;
haaiende en
draaiende,
rap als de
wind;
wiegende en
vliegende,
vlug op de
vlerk,
spoeien en
roeien ze
ringsom de
kerk.

Lege nu
zweven ze, en
geven ze
bucht;
hoge nu
hemelt hun'
vlerke, in de
lucht;
amper nog
hore ik . . . en,
die 'k niet en
zie,
lijvelijk
zingen ze:
"Wie??? Wie??? Wie?
wie . . . "

UIt "Guido Gezelle's Dichtwerken"

Naar het begin van deze tekst

Mei

In Mei
Legt ieder vogeltje zijn ei,
Behalve de kwartel en de griet,
Die leggen in de meimaand niet.

Rijmspreuk

Mei

Met den eersten van de Mei
Hebben de vogels een nest of een ei.

Guido Gezelle

Naar het begin van deze tekst

Pauw

Weest geen pauw in uw gewaad,
Geen papegaai in uwen praat,
Geen ooievaar, wanneer gij eet,
Geen gans, als gij daar henen treedt.

Vlaamse rijmspreuk

Naar het begin van deze tekst

Nijlganzen

Twee Nijlganzen met bruine vlekken rond de ogen,
omdat hun tranen maar niet wilden drogen.

Men vroeg hen waarom zij zo weenden
Ach zeiden zij, volgens Jonsson zijn wij eenden.

Niet verwant met smienten of met slobberbekken,
ook niet met "brandjes" met die mooie lange nekken.

Nee oom Bergeend staat ons meer te na
en onze tante blijkt een rasechte "Casaraca".

© Henk Merts september 2000

Naar het begin van deze tekst

Eendjes voeren

De laatste tijd had mams een manie
van maar naar het park te gaan.
Elke middag trok mijn mammie
mij m'n warmste kleertjes aan.
Want, zei mammie, in de winter
geven wij de eendjes brood.
Anders gaan die lieve eendjes
allemaal van honger dood.

Onderweg liep zij steeds vlugger,
ik hield haar maar met moeite bij.
Ik kwam in het park buiten adem,
maar mama was opgelucht en blij.
Ze gaf mij het plastic zakje,
waar het eendebrood in zat.
En dan liep ik naar het wak toe,
terwijl mammie op het bankje zat.

Terwijl ik de eendjes brood moest voeren,
praatte zij met een meneer.
Die meneer was blijkbaar grappig
en hij was er telkens weer,
net als de zwaan en bij het voeren
stond dat beest altijd vooraan.
Vaak begon hij kwaad te blazen,
ook al had ik niks gedaan.

Eénmaal heeft de zwaan gebeten,
m'n handje deed toen wel erg zeer.
Ik hoorde mams juist schaterlachen
om die grappige meneer.
Toen moest ik nog veel harder huilen,
rnammie had geen oog voor mij.
Terwijl ik naar het bankje holde,
maakte mams haar handen vrij.

Die meneer heet nou Oom Stefan
en we wonen in zijn huis.
Soms voel ik me heel verdrietig,
maar we blijven 's middags thuis.
Zondagsmiddags komt m'n pappie
die wil met mij naar het park toegaan.
En dan durf ik niet te zeggen,
dat ik bang ben voor de zwaan.

Hans Dorrestijn

Naar het begin van deze tekst

De ooievaar

Nu geen kind meer in de ooievaar gelooft
zijn ze verdwenen de fabeldieren.
Als ze nog eens verschijnen
slapen ze op t.v.-antennes
en eten ze een blikje uit de hand.
Een ooievaar heeft altijd iets onwerkelijks gehad,
hij is te netjes,
te heraldisch afgetekend.
Zie je ze in Marokko
weer bij tientallen, dan leef je inderdaad
in een sprookje.

Uit "Verzamelde gedichten 1941 - 1981"
van Hans Warren

Naar het begin van deze tekst

Wat is het, dat het meest bekoort
wat is het dat hij 't liefste hoort
't is het liedje van een vinke

Wat is er mooier dan het lied
het helder zuivere Sus-ke-wiet
uit 't bekske van een vinke.

Vlaams: Het liedje van de vinkenier

Naar het begin van deze tekst

Een vinkske

Een vinkske! Een vinkske! Daar zit het, zwijg.
Een levend dingske, op een dooden twijg

Het borstje bibbert, het keelke zwelt.
Het bekske slibbert, van 't klankgeweld

't zijn versjes, zeere onvaatbaar kort,
in eenen keer, der-uit gestort

Tzit-tzit-tzit-dap-dapper, de wingihee!
tzit-tzit-tzit-rap-rapper, de hele ree!

Tzit-tzit-tzit, een ander! Nog één, nog één.
Tzit-tzit-tzit, wie kan-der, de voeten scheên?!

Tzit-tzit-tzit, 't gesnebber wordt dom en dol,
tzit . . . halt! Ik heb er mijn ooren vol.

Vlaamse dichter René de Clerq (1877-1932)

Naar het begin van deze tekst

een vogelaar

een vogelaar, zit altijd daar
waar vogels zijn en leven
de lenzen in z'n kijker klaar
te zien wat zij hem geven

de rust, emotie, pracht en praal
het wijdse van de lucht
een borstje rood, een merel vaal
de stad daarom ontvlucht

een vogelaar, zit altijd daar
zijn vlucht te doen ervaren
het turen blijft, hij is nooit klaar
een droom te doen bewaren

Uit "de Kentering"
van: Riny Assink

Mijn lievelingsdier

Naar het begin van deze tekst

Hommelrijm

Laatst vroeg ik aan een hommel:
'waar gaat gij heen met spoed?'
ze zei: 'k ga naar Zaltbommel,'
ik dacht: 'wat rijmt dat goed'

toen riep een tweede hommel:
'en ik moet naar het Gooi',
ik dacht: 'wel-voor-de-drommel
ook dát rijmt wederom mooi.'

Toon Hermans
uit: Dan heb je geluk

Naar het begin van deze tekst

Verlaten

Het is voor bij en mug zowat bekeken
Ook wesp en vlieg en vlinder zijn benauwd
En onder kevers hoort men ronduit spreken
Van emigratie naar de verste streken

Het is rampzalig, wat men hier aanschouwt
Een hele diersoort beeft en zucht en rouwt
Het blij gezoem, het vakbekwame steken
Ja, zelfs de paringsdrang is sterk verflauwd

Wij mensen zijn een vloek voor het insekt
Wij nemen steeds meer vogels in bescherming
Die eten vlinder, kever, vlieg en mug
En wesp en bij - die kennen geen ontferming
En geven hoogstens vogelmest terug
Die straks de aarde metershoog bedekt

Drs. P
Uit: Weelde & feestgedruis

Naar het begin van deze tekst

Het schrijverke

O Krinklende winklende waterding
met ‘t zwarte kabotseken aan,
wat zien ik toch geren uw kopke flink
al schrijven op ‘t waterke gaan!

Gij leeft en gij roert en gij loopt zo snel,
al zie ‘k u noch arrem noch been;
gij wendt en gij weet uwen weg zo wel,
al zie ‘k u geen ooge, geen één.

Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
dat nimmer van schrijven zijt moe?

Gij loopt over ‘t spegelend water klaar,
en ‘t water niet meer en verroert
dan of het een gladdige windtje waar,
dat stille over ‘t waterke voert.

O Schrijverkes, schrijverkes, zegt mij dan, -
met twintigen zijt gij en meer,
en is er geen een die ‘t mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zo zeer?

Gij schrijft, en ‘t en staat in het water niet,
gij schrijft, en ‘t is uit en ‘t is weg;
geen christen en weet er wat dat bediedt:
och, schrijverke, zeg het mij, zeg!

Zijn ‘t visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn ‘t kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn ‘t keikes of bladtjes of blomkes zoet,
of ‘t water, waarop dat ge drijft?

Zijn ‘t vogelkes, kwietlende klachtgepiep,
of is ‘et het blauwe gewelf,
dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
of is het u, schrijverken zelf?

En ‘t krinklende winklende waterding,
met ‘t zwarte kapoteken aan,
het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
en ‘t bleef daar een stondeke staan:

"Wij schrijven," zoo sprak het, "al krinklen af
het gene onze Meester, weleer,
ons makend en leerend, te schrijven gaf,
één lesse, niet min nochte meer;

wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
niet lezen, en zijt gij zo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
den heiligen Name van God!"

Guido Gezelle

Naar het begin van deze tekst

Landkaartje

Een landkaartje op weg naar Almere
kon zich niet goed concentreren.
Ze vloog langs een gloednieuwe wijk
en het gif van de Diemerzeedijk
en dacht ik moet maar eens goed kaartlezen leren.

Rob Chrispijn
Uit: Paardenbijters en Mensentreiters

Naar het begin van deze tekst

Heidelibel

Een zwervende heidelibel uit Frankrijk
volbracht de tocht naar Holland glansrijk
Zij sprak: "Ik kom hier voor mijn lol
maar wat is dit land vol
en daarbij ook nog zo stankrijk."

Martin Melchers
Uit: Paardenbijters en Mensentreiters

Naar het begin van deze tekst

Sprinkhaan

Een sprinkhaan, op 'n boomtak gezeten,
Die wilde zo gaarne iets weten.
Ze zei: " 'k ben een vrouw
Dus waarom mag ik nou
Toch in vredesnaam niet sprinkhèn heten?"

Marius Koppijn
Uit: Paardenbijters en Mensentreiters

Naar het begin van deze tekst

Zoo welkom als de bie

Zoo welkom als de bie,
die,
aan 't ronken, wijl de last
wast,
terug met heuren buit
uit
de velden rijk beblomd
komt,
zoo welkom zijt ge mij,
gij,
wanneer ge mij verzet
met
hetgeen uw zwervend vlerk-
werk,
al vliegen achter 't land,
vand:
mijn hoppelend herte klopt
op 't
aanhoren en 't verstaan,
aan
het ruischen van zijn stem,
hem
wiens vlerken ik vaneen
scheên
en zenden op de locht
mocht.

Guido Gezelle(1830-1899)

Naar het begin van deze tekst

De Koe

Een koe is een merkwaardig beest
wat er ook in haar geest moge zijn
haar laatste woord is altijd
boe

K. Schippers

Naar het begin van deze tekst

Gingo biloba

Zie dit kleinood in mijn gaarde
boomblad uit de oriënt,
siert met zijn geheime waarde,
ingewijden welbekend.

Leeft het als een enkel wezen,
innerlijk in twee gedeeld?
Of vormt juist het uitgelezen
tweetal één herkenbaar beeld?

Langzaam rijpende ideeën
werpen op die vragen licht.
Voel je niet dat ik in tweeën
eenling ben in mijn gedicht?

Johann Wolfgang von Goethe
Uit: "Ken je het land waar de citroenen bloeien"
Vetaling Matthias Rozemond
Uitgeverij Bert Bakker (1998)

Naar het begin van deze tekst

De pruimeboom

Jantje zag eens pruimen hangen,
O! als eijeren zo groot.
't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
Schoon zijn vader 't hem verbood.

Hier is, zei hij, noch mijn vader,
Noch de tuinman, die het ziet:
Aan een boom, zo vol geladen,
mist men vijf zes pruimen niet.

Maar ik wil gehoorzaam wezen,
En niet plukken: ik loop heen.
Zou ik, om een hand vol pruimen,
Ongehoorzaam wezen? Neen.

Voord ging Jantje: maar zijn vader,
Die hem stil beluisterd had,
Kwam hem in het loopen tegen,
Voor aan op het middelpad.

Kom mijn Jantje! zei de vader,
Kom mijn kleine hartedief!
Nu zal ik u pruimen plukken;
Nu heeft vader Jantje lief.

Daarop ging Papa aan 't schudden
Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
En liep heen op een galop.

Hieronymus van Alphen

Naar het begin van deze tekst

Herinnering aan Holland

Denkend aan Holland
zie ik brede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijIe populieren
als hoge pluimen
aan den einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een groots verband.
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

H. Marsman
Uit: Literair landschap

Naar het begin van deze tekst

Marietje was bang voor water en zeep

Marietje van Dalen uit Kreukelendamma,
die hield niet van wassen en hield niet van kammen,
zij hield niet van zeep en zij hield niet van water
en stelde het wassen maar uit tot later

Zij wordt zo vies als een varken, er groeit gras in haar hals
en ten slotte groeit zij vast in de grond:

De vogeltjes bouwden een nest in haar haren
en langzamerhand kreeg ze takken en blaren
Het is waar, al lijkt het een nare droom
Marietje van Dalen is nu een boom

Dus...meisjes die bang zijn voor zeep en voor water,
die worden allemaal bomen ...later.

Annie M. G. Schmidt
Uit: Dit is de spin Sebastiaan

Naar het begin van deze tekst

Klimop

Ik heb 'n tuin met dahlia's
met rozen en azalea's
maar ik volg met aandacht de klimop
die zoekt het altijd hogerop.

Toon Hermans
uit: Dan heb je geluk

Naar het begin van deze tekst

De perzik

Die perzik gaf mijn vader mij,
Omdat ik vlijtig leer,
Nu eet ik vergenoegd en blij.
Die perzik smaakt naar meer.

Hieronymus van Alphen 1778
Uit: de Kleine gedigten voor kinderen

Naar het begin van deze tekst

Stekels

Stekels maaien is stekels zaaien
Stekels plokken is stekels lokken
Maar stekels steken is ze de nek breken.

*****

Distels

Distels maaien is distels zaaien
Distels trekken is distels stekken
Distels steken is distels kweken
Distels laten staan is naar de bliksem gaan

(n.b. Stekels = Distels)
Boerenrijm

Naar het begin van deze tekst

Bomen over bomen

In oktober zijn de bomen
van hun zomerwee bekomen
en ze zuchten dan: we zijn weer onder ons...
Geen gebrom meer, of geknetter,
geen getetter of geschetter...
En ze kleden zich in feest'lijk goud en brons.
En dan houden ze een party in het Spanderswoud
met de varens en de mossen en het kreupelhout.
En ze lachen en ze bomen met elkaar,
op die laatste zonnedagen van het jaar.

Kijk, de eiken
staan te prijken
met hun bruine
brede kruinen,
de kastanje
met oranje
kroonjuwelen...
En de vlieren
staan gevieren
populieren
te versieren,
bij de vennen
kussen dennen
de abelen...
En de ceders
doen wat teders
met de els,
westewinden
strijken linden
door hun pels.
Coniferen
converseren
met de sterke
blanke berken.
Ook de essen
en cypressen
komen los,
van september
tot november
in het bos!

Maar helaas, een weekje later
heeft haast elke boom een kater
van dat al te vrolijk najaarszonnefeest.
En zij laten met z'n allen
al hun bronzen blâren vallen
en ze denken 't is weer mooi genoeg geweest.
Bij de eerste najaarsstormen in het Spanderswoud
gooien zij elkaar met eikels en met stukken hout.
En zo vechten alle bomen met elkaar,
op die eerste winterdagen van het jaar:

Ja, dan beuken
alle beuken
op de eiken,
die niet wijken,
maar geniepen
met de iepen
en de berken...
En de sparren
harrewarren
met de vlieren,
die weer klieren
door de tere
coniferen
te bewerken...
Populieren
staan te tieren
naar de olm...
En die dwaze
beukt de haze-
laar tot molm!
Alle dennen
slaan hun pennen
naar de essen
en cypressen.
Ook krakélen
de abelen
er op los...
In november
en december
in het bos!

Ernst van Altena

Naar het begin van deze tekst

Zeven kikkertjes

Er zaten zeven kikkertjes al in een boerensloot
die waren vrij tevreden met hetgeen die sloot ze bood.
Ze hadden er wat vrinden - ze kwaakten, ze beminden
gelijk natuur dat wil.
De vaders vingen vliegjes - De moeders maakten wiegjes
voor hun prille dril.

Toen bouwden zeven mannetjes een huisje aan de sloot
die hadden hersenpannetjes vol plannetjes, zó groot
die brouwden daar hun stroopjes - ze bouwden isotoopjes.
Ze speelden er met vuur
en mengden in hun potjes - als minuscule godjes
geheimpjes der natuur.

Er waren zeven mannetjes, die speelden leentjebuur.
Ze leenden kleine kooltjes uit de kachel der natuur.
Maar toen ze erin pookten - een fikkie ervan stookten
werd gauw de vlam te groot.
En ondanks hun getover - kookten de potjes over
en 't schuim liep in de sloot.

Er zwommen scheve kikkertjes al in een boerensloot.
Hun paat'es keken droevig naar hun kromgegroeide poot.
'Ik denk', sprak een resolute, 'dat ik, pro juventute,
dit slootje maar ontruim.
U ziet hier, mijne heren - De jeugd degenereren
door d'invloed van het schuim!'

Wij zijn met heel veel kikkertjes in onze wereldsloot.
Tot dusver vrij' tevreden met hetgeen de sloot ons bood.
We hadden er wat vrinden, we kwaakten en beminden.
We leefden er vrij ruim
maar wordt óns dril geboren - met één poot en drie oren
is dat de schuld... van 't schuim...

Jaap Molenaar

Vogels als cultuurverspreiders