IVN-logo


Excursieverslagen NatuurGidsenCurus (ngc) 2002-2003


Van januari 2002 t/m juni 2003 wordt in Leiden een Natuurgidsencursus georganiseerd door IVN Leiden.
Tweemaal per maand wordt een excursie georganiseerd
Alle cursisten krijgen de gelegenheid een verslag te schrijven over één van de excursies.
Hieronder staan deze verslagen, veel leesplezier toegewenst

hm januari 2002

Datum
(Kies gewenste datum
na de gekleurde bal)
LocatieNaam

23e excursie 24-05-03 Het bewaarde landHennes Claassen
22e excursie 12-04-03 Fietsexcursie door ZoeterwoudeWout Anker
21e excursie 29-03-03 Huys te WarmontRobert-Jan Kooman
20e excursie 22-02-03 Ecologische boerderij "De EenzaamheidRoeland Aerden
20e excursie 22-02-03 Natuurtekenen met Haiku:Mariette Elshoud
19e excursie 08-02-03 Van Lammenschans naar BurchtMarijke Schellekens
18e excursie 11-01-03 Museum Naturalis en Bos van Bosman Martine Jager
17e excursie 30-11-02 StrandwallenSuzanne ter Huurne
Spinnenlezing 28-11-02 Wellantcollege (door: Peter Koomen)Jaap Kuijt
16e excursie 16-11-02 BoterhuispolderLenie van Gorkum
15e excursie 05-10-02 HoutkampBep van Houten
14e excursie 21-09-02 MeijendelEls Baars
13e excursie 07-09-02 Noordwijk Cor Verdiessen
12e excursie 29-06-02 Polderpark Cronesteijn Lisette de Vries
11e excursie 15-06-02 Polderpark Cronesteijn Anneke Drijver
Soortenlijst waarnemingen weekend 31-05 t/m 02-06-02 Soortenlijst waarnemingen weekend Oostvoorne Gerard van der Klugt
Praktijkweekend (31-05 t/m 02-06) Oostvoorne II Ab Schothorst
Praktijkweekend (31-05 t/m 02-06) Oostvoorne I Dick de Vos
Antwoorden Starrevaartplasexcursies 11-05 en 18-05-02 Antwoorden excursiesStarrevaartplas Cursisten
10e excursie 18-05-02 groep B Starrevaartplas Alies Herweijer
10e excursie 11-05-02 groep A Starrevaartplas Anneke Dekker
9e excursie 04-05-02 groep B Horsten Wassenaar Mike Melis
9e excursie 27-04-02 groep A Horsten Wassenaar Xans Rodenburg
8e excursie 13-04-02 Strand Katwijk Ellen van der Niet
7e excursie 06-04-02 Oud Poelgeest Joëlle Oosterhuis
6e excursie 23-03-02 Heempark Leiden Rik Koster
5e excursie 09-03-02 De Houtkamp Leiderdorp Diana Zwaan
4e excursie 23-02-02 Polderpark Cronensteyn Marion Blok
3e excursie 09-02-02 Leidse hout (Sterexcursie) Rob Timmerman
Samenvatting 09-02-02 Evaluaties sterexcursie "gidswijzen" Cursisten
2e excursie 26-01-02 Fietstocht van Merenwijk naar GroenesteegMaya de Veer
1e excursie 12-01-02StarrevaartplasJan Hendrik Labots

    Diversiteit
    Er zijn over de hele wereld voor als nog bekend 38.000 spinnensoorten. Waarvan er in Nederland 600 soorten voorkomen.
    Enkele voorbeelden die op vangtechniek zijn ingedeeld.
    1. Familie van de Wielwebspinnen te herkennen aan een web wat dezelfde vorm heeft als een karrewiel of en deel er van.
    2. Familie van de StrekSpinnen te herkennen aan een web wat grotendeels hetzelfde is als het web van de Wielwebspin maar in het midden van het web geen kern heeft.
    3. Familie van de Hangmatspinnen te herkennen aan webben die horizontaal gesponnen zijn te verglijken met een slaaphangmat.
    4. Familie van de Kogelspinnen te herkennen aan een zeer rommelig web wat vanaf het web draden naar de aarde maakt met druppels lijm er aan. Wanneer er een prooidier tegen aanloopt blijf het dier er aan kleven en door de worsteling wordt de verbinding met de aarde verbroken zodat de gespannen draad zich ontspant en boven de aardbodem blijft bungelen en er geen ontsnappen meer mogelijk is.
    5. Familie van de Trilspinnen deze is te herkennen aan een rommelig web meestal binnenshuis. Ze lijken een beetje op hooiwagens, maar zijn toch echte spinnen.
    6. Familie van de Wolfsspin dit is een spin die geen gebruik maakt van een web maar net als een wolf achter een prooi aangaat of hem in een val lokt.
    7. Los van de vangmethode is de vogelspin, die geen familie is van de wolfsspin met een naar verdedigingsmiddel uitgerust. dit zit op het achterste gedeelten van zijn achterlijf. Het bestaat uit zeer kleine brandhaartjes. Deze dringen de huid binnen en kunnen er niet meer uit, vanwege de weerhaken aan deze haartjes. Dit heeft als gevolg dat er een branderig tot zeer irritante jeuk ontstaat. Waarop de huid reageert door de huid af te stoten dus let op.
    8. Familie van de Kraamwebspinnen.
    9. Familie van de Springspinnen dit is ook een actief jagende spin die in staat is om zijn prooi te bespringen. Hij maakt geen web
    10. Familie van de Krabspinen deze jaagt niet op dezelfde manier als zijn voorganger, hij verstopt zich en slaat dan toe. De krabspin loopt zijwaarts net als een krab.
    11. Familie van de Lijmspuiters. Deze spin maakt ook geen web maar bespuit zijn prooi met een kleverige substantie waardoor het prooidier niet kan ontsnappen.

    n.b. Bij twijfel kunnen spinnen in principe alleen aan hun geslachtorgaan gedetermineerd worden.

    Vliegende spinnen
    Er zijn mensen die beweren dat spinnen kunnen vliegen, dit is onjuist. Er zijn geen vliegende spinnen. Toch zijn er vliegende spinnen gezien wat als volgt te verklaren is. Eén spin laat met het opwarmen van warme lucht die opstijgt een lichte draad mee liften in de opstijgende warmte wolk wanneer deze draad lang genoeg is wordt de spin als een vlieger meegenomen door de draad, zodat het net lijkt alsof de spin vliegt. Er zijn al spinnen op de Mount Everest gevonden die daar niet thuishoorden.

    Gedrag
    De vrouwtjes spin is meestal vele malen groter dan het mannetje en om tot voortplanting te komen moet het mannetje toch naar het vrouwtje gaan. Met dit probleem is rekening gehouden. Als eerst wat al eerder genoemd is dat is een vrouwtje kan het sperma bewaren tot het moment dat ze het nodig heeft, dit is een groot voordeel want als man hoef je daar dan geen rekening mee te houden. Als man neem je eerst wat sperma bij je zelf weg en daar vul je de palpen mee. Dan maak je een keuze, wil je blijven leven of geef je alles voor je nageslacht. Of de weg van de minste weerstand, als het dan toch moet dan goed. Dat wel zeggen, je riskeert bij aankomst dat je wordt gezien als prooidier, loopt naar haar toe gaat in duel en op het moment dat ze je bijna heeft overmeesterd stop je jou sperma in haar voorraadkamer en gaat dood. Zodat het door jou opgeslagen voedingsrijke lichaam direct kan dienen om de onbevruchte eitjes veder te laten groeien. Wanneer je wilt blijven leven zijn hier wat alternatieven.

    1. Voordat je naar haar toegaat om haar te bevruchten biedt je eerst wat eten aan zodat ze geen honger meer heeft en jou niet meer wilt eten.
    2. Je wacht tot dat ze zelf wat gevangen heeft.
    3. Je zorgt ervoor dat je zo goed gepantserd bent dat ze je niet op kan eten.
    4. Je danst voor haar dat ze een beetje in slaapt valt en neemt dan je kans waar.
    5. Je speelt op het web een mooi versje dat ze weet dat je er aan komt.
    6. Je overvalt haar en bindt haar vast.
    7. Je wacht op het moment dat ze gaat vervellen want dan is ze nog zacht en week.
    8. Je sluit een schijnvriendschap voor zeer tijdelijk.

Als men meer over deze uiterst aanbevelenswaardige lezing wil weten dan kan men het beste contact opnemen met: Peter Koomen
Tel. 071 - 532 46 72
Fax 071 - 572 71 30

Natuur Informatie Centrum
Postbus 9517, 2300 RA Leiden
telefoon: 071 - 56 87 516
e-mail: nic@naturalis.nnm.nl

Hierna komt de volgende excursie

Naar het begin van deze tekst
Datumzaterdag 16 november 2002
LocatieLeiderdorp, Boterhuispolder
ThemaLandschapsfietstocht
Tijd09.30 tot 13.00
WeerRustig bewolkt, later probeert de zon het even, lukt niet
Temperatuur 4 graden
Windkracht 3, west
Door Lenie van Gorkum

    Verslag van de landschapsfietstocht rond de Boterhuispolder te Leiderdorp

    Om 9.30 kwamen wij allemaal bij elkaar op de Zijldijk onder aan de brug bij de L.O.I. en werden daar in twee groepen verdeeld. Tegelijkertijd werden de groepen onderverdeeld in kleine taakgroepjes in verband met de door de gidsencursisten op te zetten tentoonstelling
    PARELS IN HET LANDSCHAP ROND LEIDEN. Deze tentoonstelling zal vanaf 19 januari 2003 te zien zijn in het bezoekerscentrum Het Reigersbos te Leiden.

    Voor we vertrokken kregen we nog een paar tips voor als we zelf een fietsexcursie gaan geven:

    • Geef aan waar je wilt stoppen.
    • Zet de fietsen tegen een hek of in de berm.
    • Maak weer een kring.
    De fietstocht van vandaag was de korte van de twee landschapsfietstochten die bij dit blok van de cursus horen.
    Eerst de Zijldijk langs.
    Dan stoppen bij boer Van Schie.
    Daar naar het geriefhoutbosje van Wout en Rick gaan kijken.
    Doorrijden naar de noordpunt van de Zijldijk.
    Een stukje Zweilandpolder door.
    Terug aan de oostkant van de Boterhuispolder.
    Bij elk stoppunt controleren of de stafkaart klopt.
    Onderweg zijn er 4 plekken die de speciale aandacht vragen van een groepje in verband met de te maken tentoonstelling.

    Om 9.50 fietsen we weg waar onlangs het asielzoekerscentrum gesloten is.Ernaast staat nog het hoofdgebouw van de vroegere meelfabriek de ZIJLSTROOM. Het stamt uit 1916. Al gauw stoppen we op de Driegatenbrug en kijken daar naar de boerderij, die nu een andere functie heeft, nl. caravanparkje en paardenstalling. De boerderij zelf staat netjes recht, op een stevige ondergrond, maar het zomerhuis (vroeger gebruikt als zomerwoning om het grote huis te sparen) staat duidelijk scheef . Waarschijnlijk staat het half op het veen en de boerderij op de klei, naar tevredenheid, want Weltevreden is de naam.
    Op het erf van de boerderij staan elzen, vrouwelijke essen, knotwilgen en een plataan.Als we naar het silhouet kijken, schatten we de grote els op 15 jaar, want hij heeft al een "stoel" (aantrekkelijk voor reigers om in te nestelen). De grauwe els vormt nooit zo'n "stoel".
    Overigens is over de boerderijen hier veel te lezen in het boek van C. Thunissen:
    Landelijk leven in Leiderdorp, Boerderijen en hun bewoners.
    De Driegatenbrug ligt over de Dwarswetering. Parallel aan de Zijldijk loopt ook een pol- dersloot die de Dwarswetering kruist. Aan de overkant van de Zijl zien we een deel van de Leidse Merenwijk.
    Deze plek bij de Driegatenbrug is parel nummer 1 van de tentoonstelling.

    We fietsen verder langs de Zijldijk en herkennen paardekastanjes aan de kandelaararmen. In de bocht zien we populieren staan. Voor de boerderij die we passeren stonden leilinden, nu nog maar één.
    We stoppen even bij De Puinhoek. Er is een gegraven plasje. De sloten zijn zo te zien pás geschoond. Een nieuw huis, bijna klaar, staat op een soort terp.
    Doordat Leiderdorp een heel oud, verlopen bestemmingsplan heeft, klopt aan het bedrijf dat we hier zien iets niet. Hier was een loonbedrijf, eigenlijk nu een sloopbedrijf. Het moet iets agrarisch hebben en daarom zei de eigenaar heesters te gaan kweken. Dat machinebedrijf hoort op een bedrijventerrein.
    Hier vertelt Marian ons dat er vroeger helemaal geen weg was langs de Zijl. Rond 1600 wilde men, hoewel er in dit gebied maar een paar mensen woonden, iets hebben richting Leiden, ook met een trekschuit. Het waarom ervan is ons nu niet duidelijk.
    (Ondertussen geeft een grote buizerd met duidelijke "burgemeestersketting" een show weg boven ons hoofd.)
    Het doodlopen van de Zijldijk is het behoud geweest van de Boterhuispolder. Nu zijn wij daar blij om.
    Op de grens van Leiderdorp en Warmond en tegenover de punt van de Merenwijk staat een enorm, nieuw huis: Bouwlust. Er stond een boerderij die afgebroken werd en in oude stijl herbouwd. Nu is het een parkethandel. Het enige oorspronkelijke is een oude, lange, lage schuur, rijkelijk met mos begroeid. Achter de boerderij staat een grote loods die men heeft geprobeerd een passende vorm te geven, het is de werkplaats van het houtbe- drijf.
    Op deze plek vaart in de zomer een pontje heen en weer tussen de Zijldijk en de zuid- oosthoek van de Broek-en-Simontjespolder.
    Een stukje verder komen we bij Ruimzicht.Het was vroeger de boerderij waar Jan Hendrik is opgegroeid. De boerderij is afgebroken en vervangen door een bungalow, maar ver weg in het weiland staat nog wel het melkhuisje. De familie Labots heeft Ruimzicht in 1978 verlaten. Jan Hendrik vertelt over de boomgaard, het kippenhok en de strontsloot die er waren.
    De oude kastanjes staan er nog. Van de twee meidoorns staat er nog één en er staat nog een rij essen (waarin Jan Hendrik zich vroeger van tak naar tak naar de volgende boom en verder slingerde).
    Aan de overkant van de Zijl zien we een oude molen die vanuit Haarlem hierheen verplaatst is.

    We komen nu bij parel nummer 2 van de tentoonstelling:
    De plek bij de rollepalen uit de trekschuitentijd en de Boterhuismolen met aan de over- kant De Strengen en Tengnagel en daarachter 't Joppe.
    Oorspronkelijk maakte de Zijl hier een flinke bocht, maar ter wille van de scheepvaart werd de Zijl kort na 1920 gekanaliseerd op die plek en zo kwam een klein deel van de Zwanenburgerpolder als eilandje in de Zijl te liggen. Dit eilandje is nu het domein van de waterscouts.
    Eind 70-er en begin 80-er jaren van de vorige eeuw werd een groot deel van de Zwanenburgerpolder gebruikt voor zandwinning en ontstond daar een grote plas: 't Joppe. De rollepaal, die ervoor diende om de trekschuiten bij het maken van de bocht uit de oever vandaan te houden,wordt door ons uitgebreid bekeken. Daarbij vragen wij ons af tot wanneer men hier met de trekschuit heeft gevaren. Anneke Drijver weet te vertellen dat in Kwadijk, Noord-Holland, tot zeker na 1950 boeren hun melkbussen met de trek- schuit wegbrachten. Zij trokken die schuiten zelf.
    Wel weten we vanaf wanneer hier trekschuiten gebruikt werden, want we weten dat de Zijldijk, de "trekweg langs de Zijl", in 1683 gereed kwam.
    Wij kijken vol bewondering naar de prachtige en grote Boterhuismolen, die de polder droog moet houden. Een paar cursisten gaan er zelfs in.
    Voor de gegevens over de Boterhuismolen verwijs ik naar het cursusblad over de ge- schiedenis van de Boterhuispolder.Vroeger heette de Boterhuispolder ook wel Gasthuispolder, naar de toenmalige eigenaar.

    Gedurende de hele tocht is ons het grote hoogteverschil opgevallen tussen het water in de Zijl en dat in de polder. In deze polder zien we hoofdzakelijk een blokverkaveling met tussen de percelen soms rechte en soms kromme sloten. De kromme sloten zijn overgebleven stukjes van oude kreken van het Rijndeltagebied.
    Een andere manier van verkaveling is de slagenverkaveling. Dan zijn de percelen lang en smal, met rechte sloten ertussen. Men begon te ontginnen bij het huis, aan de weg, en werkte zo naar achteren tot een vooraf afgesproken afstand.Men vindt de sla- genverkaveling vooral in echte veengebieden, terwijl de Boterhuispolder veen op klei is.

    We rijden verder en komen even later via een weggetje vanuit de bocht in de Zijl bij parel nummer 3.
    Het is de boerderij van boer Van Schie.
    Achter de wei ligt het adoptieterrein van Wout en Rik, een geriefhoutbosje.
    Het eerste dat ons opvalt is een oude gevelsteen. Die blijkt afkomstig te zijn van een boterwaag die hier vlakbij gestaan heeft en waaraan de polder zijn naam te danken heeft. De steen dateert van 1650.
    Het volgende dat opvalt is de mooie erfbeplanting met o.a. linde.
    Het is nu tijd voor een pauze. Die houden we op een wel heel bijzondere plek, name- lijk in de schuur bij de blaarkopkalfjes, waarvan één pas een paar dagen oud is. We zitten prima op de strobalen en genieten van onze koffie.Wie zin heeft kan bij de boerin echte eigengemaakte kaas kopen. Mevrouw Van Schie heeft over klandizie niet te klagen.
    Na de pauze tijgen we gelaarsd richting geriefhoutbosje.
    Johan Kieft leidt het hakonderhoud hier. Gezien de dikte van de takken vermoeden wij dat er om de 5 à 6 jaar gehakt wordt.
    In dit bosje staat veel es en lijsterbes en heel veel paddestoelen, waaronder viltig elfenbankje.
    Dit soort bosjes blijkt, net als dit ene, met beleid aangelegd te zijn: in de vorm van een bocht.Dat deed men om in de "koebocht", in de luwte te kunnen melken. Ook bij slagen- verkaveling legde men de geriefhoutbosjes op die manier aan.

    Wij vervolgen onze weg en komen aan het eind van de Zijldijk. Aan de overkant van het water zien wij in de Zwanenburgerpolder, nu een eiland, een oude boerderij, De Een zaamheid. Zou die altijd zo geheten hebben?
    In een weiland langs de dijk zien we grauwe ganzen, brandganzen en één indische gans. Wij varen met het pontje over de Zijp naar de Zweilandpolder en rijden over het erf van een boerderij en een kaarsrecht betonnen pad naar een splitsing.
    Hier vandaan kùn je naar de watermolen bij Zevenhuizen en dan te voet verder langs het water, maar hier al staat een bord: Verboden Toegang.
    De andere mogelijkheid is buurtschap Het Klaverblad, 100 m. verder.
    Vanaf deze splitsing zien we ook heel mooi tussen de zeer hoog gelegen woonboten door de kerktoren van Oud-Ade.Vroeger richtte men zich bij het verkavelen en ontginnen ook vaak op de lijn waarin de kerktoren te zien was.
    We rijden over een smal en bochtig paadje tussen de paar huizen door die samen Het Klaverblad vormen. Over een bruggetje gekomen, met aan onze rechterhand een hoek van het Vennemeer, zien we links in een weiland minstens 400 smienten, een prachtig gezicht.
    Rechts hebben we jachthaven Het IJsselweitje aan het Vennemeer.
    We komen daarna langs twee hoge oude boerderijen waarvan de tweede Oudersch Wensch heet.
    Zo zijn we aangekomen bij parel nummer 4:
    Vanaf de brug over de Stingsloot hebben we een weids uitzicht over de Ade in Oud- Ade.
    De Stingsloot slingert behoorlijk, maar de kanten zijn niet vertrapt.
    Zo ongeveer onder tegen de brug aan staat een huis: Brugzicht.
    Hier is de eigenlijke excursie afgelopen, maar we praten nog even door over de boeren en hun economische problemen. Een boer kan nu haast alleen maar het hoofd boven water houden als er naast de inkomsten uit de boerderij nog ander geld binnen- komt. Een aantal boeren hebben samen Van-Ade gevormd, een vereniging die zich als doel heeft gesteld de agrarische bestemming van dit gebied te waarborgen. Dat is van groot belang voor de vogels, maar ook voor de recreatie van de stadsbewoners in de natuur.
    Een van de boeren van Van-Ade, Koert van Heden, heeft dit jaar de landschapsprijs gewonnen, vertelt Marian. Op zijn boerderij heeft die boer een melkrobot. Ook heeft hij een lunchzaaltje voor bezoekers. Goed idee.
    Wij volgen het fietspad langs de weg langs de Stroomsloot tot aan de Nieuwe Weg en komen via die weg weer op de Zijldijk uit, dicht bij de Driegatenbrug, waar onze eerste parel is.
    Ondanks het wat sombere weer (gelukkig bleef het wel droog), was het een schitterende tocht: veel geleerd, veel gezien, maar vooral veel genoten!
    Ik doe het zeker nog eens over.

Hierna komt de volgende excursie

Naar het begin van deze tekst
DatumZaterdag 5 oktober 2002
LocatieHoutkamp Leiderdorp
Thema Excursiewerkvormen
Tijd 09.30 t/m 12.30
Weer Regen
Door Bep van Houten
    'Excursie' verslag van de IVN-Gidsencurcus op 5 oktober 2002.

    Met zo ongeveer de halve cursusbemanning zijn we met excursiewerkvormen aan de slag gegaan. Tevoren kon je voorkeur voor één van vier werkvormen opgeven: "praatwerkvormen", doe-activiteitenexcursie, natuurpad aanleggen en natuurbeleving. Op deze miezerige, winderige zaterdagmorgen bleken in de Houtkamp drie groepen samengesteld, natuurpad en natuurbeleving waren tot één groep samengevoegd.
    Onder leiding van Sjaak kwam ik bij de doeners terecht. Allereerst kwam er een kist met doespullen op tafel met daarbij een inleiding op doeactiviteiten. Tot mijn vreugde was dit een binnengebeuren, (de 'praters' werden meteen de zeer natte wei in gestuurd.)
    Van primair belang is dat je de activiteit zoekt na bepaling van het doel van je excursie, het verhaal dat je - al dan niet met handen en voeten - onder de aandacht wilt brengen. Een goede voorbereiding van je inhoud, inclusief de doeactiviteit, is dan ook cruciaal. Verder is het zinnig als je doelgroep de activiteit kan waarderen, dwz geen dames met pumps en kokerrok in de modder sturen svp. Erg duidelijk zijn in je opdrachten is ook slim, zeker bij wat onzeker publiek, en hoe spannender het is, hoe beter.
    Deze wijsheden verkondigend kwam er van alles uit de kist en uit Sjaaks zakken te voorschijn: zoals loeppotjes, zakmes, een kermistoeter om de roltong van een vlinder te demonstreren, een witte vouwplu om beestjes te vangen bij uitschudden van een boomtak (bij inheemse eiken meestal grote oogst) meerdere soorten boomhoogtemeters, een spiegeltje met lat voor paddestoelen (de lat is voor mensen die niet van bukken houden) een rasp en een bodemthermometer, schrijfplankjes, petrischaaltjes en plastic beestenbakjes, zoekkaarten, meetlint, satéprikkers, vergrootglazen, etc.
    Meestal vrij simpele spullen, die bestand zijn tegen regen, en goedwillend misbruik. Ik vond vooral een van de boomhoogtemeters een wonder van eenvoud: een driehoekig plankje met een rechte hoek en twee hoeken van 45°. Rechthoekszijden ± 30 cm, en langs de schuine zijde een pvc-elektrabuis vastgezet. Voorzien van een touwtje met steen (loodlijntje àà la behangen) om te zorgen dat je een rechthoekszijde precies verticaal hebt, terwijl je door de buis de top van de boom in het vizier krijgt. Meet met een rollint de afstand tussen jou en de betreffende boom, tel je ooghoogte erbij op: voilà de hoogte van de boom. Een maatje bij het meten is aan te bevelen, allereerst om dat touwtje in de gaten te houden - het moet netjes langs de loodlijn op het plankje lopen - en verder om het einde van het meetlint vast te houden terwijl jij het uitrolt. (Als ik de beschrijving teruglees is die veel complexer dan het hele plankje!)
    Voor creatieve natuurliefhebbers wacht er bij doeactiviteiten een schone ontwerptaak, zoveel is duidelijk Na bezichtiging van al dit moois gingen we de Houtkamp in en kwamen terecht bij de grote speelwei, in de buurt van een rij knotwilgen. Twee bij twee dienden we een doeactiviteit voor te bereiden en op onze medecursisten los te laten. En zo hebben we twee bomen gemeten, na schatting van de hoogte, (bij hogere bomen veel lastiger dan bij kleintjes) en de levende have bekeken op knotwilgen.
    Eens te meer bleek dat je een doeactiviteit moet inbedden in een verhaal, sec een grote populier opmeten is veel minder spannend dan dat doen om te weten te komen of je kans loopt hem bij een storm op je hersens te krijgen. Ook is tevoren uitproberen van je doeactiviteit een must, zo bleek het meten van afstand via voetstappen tellen - om de hoogte van een boom te bepalen - geen nauwkeurige methode, die metingen varieerden in de groep tussen 24 en 39 meter (boom was 29 m). En duidelijke taakverdeling tussen de gidsen is natuurlijk ook belangrijk, zodat niet gids 1 vast het verhaal van gids 2 vertelt. De wilgen leverden onverwachte gasten: in de holtes van afgestorven takken - waar we met satéprikkers voorzichtig in prikten - zit zoveel aangewaaid en uit de wilg afgebroken voedsel dat daar eikjes, essen en esdoorns in kunnen kiemen.
    Korstmos, alg en paddenstoeltjes zijn te vinden, evenals wielweb- en hangmatspinnen. Een wilg blijkt een ecosysteem op zich.
    Verder leek na goed kijken de algaanslag op de wilgen niet zozeer van de windrichting als wel van de druiprichting van de regen afhankelijk. Lang niet alle aanslag zat op de zuidwestkant, de plaats waar alg groeit hangt af van waar de regen langs de takken kan lopen.
    Sjaak voorzag ons tijdens onze rol van 'groepslid/publiek' van observatievragen o.a. over creativiteit in omgang met materiaal van de dienstdoende gids en over het aan bod komen van alle groepsleden. In de rol van gids werd ik zelf weer eens geconfronteerd met het belang van gedegen voorbereiding. Voor de vuist weg improviseren is m'n sterkste kant nog niet. Nadat ieder bij toerbeurt gids en publiek was geweest, en de paraplu's voor de zesde keer van de doespullen waren weggewaaid was er tijd voor koffie, opdrogen en napraten. Zo kwamen we nog aan de weet dat je prima plastic spinnen en andere 'enge beestjes' bij de firma Paddenburg (in feestartikelen, Nieuwe Rijn 11 voor niet-Leienaren) kan kopen. En kwamen we er eindelijk achter het doel van die mysterieuze sok aan een touwtje die in de kist zat: langs een kruidlaag slepen in de nazomer levert een sok vol aanhangende zaadjes op. Zo heb ik in het contact met Sjaak en m'n medecursisten ook weer een hoop 'zaad' tot nadenken opgedaan en hoop van mijn medecursisten hetzelfde. (Waarmee overigens niet gezegd wil zijn, dat ik het gezelschap met ouwe sokken wil vergelijken) En zo is 'last but not least' de eindconclusie van dit alles wat mij betreft: ondanks de regen een zinvolle ochtend.

Hierna komt de volgende excursie

Naar het begin van deze tekst
DatumZaterdag 21 september 2002
LocatieMeijendel
Thema Mieren in de duinen
Tijd 09.30 t/m 12.30
Weer Droog afgewisseld met enkele korte buien
Door Els Baars

In de Bijbel staat een verhaal over Salomon en de mieren. God zou tegen Salomon hebben gezegd: "Ga tot de mieren en leert van hen". Met de Salomonsring kon hij met de mieren praten. Salomon ging naar de mieren en bezag hun geordende wereld. Een keer zag hij een mierenkoningin een opdracht aan haar onderdanen geven en tot zijn stomme verbazing werd dat ogenblikkelijk en zonder gemor opgevolgd. Salomon tilde de koning op zijn hand en vroeg: "Hoe geeft U opdrachten die zonder gemor worden opgevolgd?" Daarop zei de koningin: "Wilt u mij ogenblikkelijk neerzetten, want ik ben niet gewend zo uit de hoogte te worden toegesproken!" Salomon zette haar neer en ging op de grond liggen om op gelijke hoogte met de koningin te praten. Wat zij daar samen hebben besproken, konden de omstanders helaas niet horen…

(Vrij naar het verhaal van GertJan)

    "De excursieleider heeft de verantwoordelijkheid voor het terrein,
    de deelnemers voor het weer."

    GertJan

    De geheimen van de bosmier
    De weersverwachtingen waren slecht en 's nachts was er wat regen gevallen. Maar we stonden in een duinwei met wisselende witte bewolking en zon en zo'n aangename 16 graden om de geheimen van de bosmier te ontsluieren. De ene groep ging als eerste met Gerard op pad en hebben daadwerkelijk bosmierenonderzoek gedaan en nesten gevonden, mede omdat zij als eersten ter plaatse waren en zo de bui op het eind van de ochtend voorbleven. Ik volgde met de tweede groep Gert Jan, dé kenner van de duinen. Na zijn inleiding over de bosmier togen wij naar de habitat van de dierengemeenschap die grote overeenkomsten met onze menselijke samenleving toont. De (korte) weg naar de bosmiernesten leverde zo veel boeiende natuur en bijhorende verhalen van Gert Jan op dat een slak sneller voortsnelt. Dat was geen probleem, want hierdoor kregen wij een schat aan informatie buiten het hoofdonderwerp om. Aan mij de taak een poging te wagen een weergave te presenteren. (GertJan heeft 30 jaar bosmieronderzoek gedaan.)

    Waterbommen en woeste rivieren
    De ideale temperatuur voor de rode bosmier is 25 graden, onder de 10 graden doen ze weinig en boven de 50 ook niet (in de zomer is het zand snel kokend heet). Regen is een ramp voor de rode bosmieren: één regendruppel is voor een mens gelijk aan een zak water met 50 liter, en een fikse regenbui veroorzaakt snel stroompjes water die voor de rode bosmier een woeste rivier vormen. Dus bij regenachtig weer zie je geen rode bosmieren. Het dreigende regenachtig te worden. . .
    In een nest zitten snel 100.000 mieren. Als het nest door de regen nat wordt gaan groepen van 1000 mieren bij elkaar zitten in een bal en verhogen hun lichaams temperatuur waardoor het nest droogt.
    De bosmier is eigenlijk een bosrandmier. De mier heeft de warmte van de zon in de lente nodig.

    Luizenvee
    De rode bosmier en de luizen zijn geheel afhankelijk van elkaar, tot wederzijds voordeel, een soort symbiose. Voor de rode bosmier zijn de luizen een soort "vee"zoals de mens zijn varkens en koeien gebruikt. De luis is 'lui', of gemakzuchtig , haar leven bestaat uit het zich volpompen met de voedingssappen van de boomknoppen en het zichzelf reproduceren. Voor de reproductie zijn veel eiwitten nodig. In de voedingssappen van de bladknoppen zitten veel suikers en relatief weinig eiwitten. Mieren leven op het suikerwater van de mier, wat ze aftappen, de 'gele luizenhoning' wat zichtbaar is als de zon dan op de luis schijnt. De mieren brengen het suikerwater naar het nest als dat dichtbij de boom is, anders brengen ze het naar een soort 'tankstation' vlak bij de boom en andere mieren vervoeren het verder naar het nest. De tankwagenchauffeurs pendelen tussen de voet van de boom en het nest en fungeren tevens als 'krant': wederzijdse informatie wordt uitgewisseld. Meestal ligt het nest van een mier binnen een straal van 30 meter.
    Voor mieren is diversiteit in het bos belangrijk om niet afhankelijk te zijn van één soort luis op één soort boom. Als de ene soort slecht gaat, levert de andere soort meestal betere resultaten: risicospreiding.
    Het voordeel voor de luizen van de samenwerking is het schoonhouden van parasieten en plakkerige vervuiling van de omgeving van de bladknoppen, de mogelijkheid tot reproductie door eiwitindikking (zoals hierboven beschreven). Vermoed wordt ook dat de mieren de luizeneieren bewaken en verdedigen, maar niemand weet de verklaring hiervoor. Daarnaast is bekend dat de mieren de 'luizenveestapel' net als de mens reguleert: als er te veel komen wordt een deel opgegeten. (De straatmier verhuisd in dit soort gevallen een deel van de luizenveestapel naar een andere plant)

    Herfst en winter
    In het najaar is de belangrijkste activiteit voor de kolonie om koolhydraten te verzamelen voor het vroege voorjaar, als het bos nog weinig luizenvoedsel geeft. (Tijdens de winter vegeteren de rode bosmieren 3 tot 4 meter onder de grond, doen niets en verbruiken vrijwel niets.)
    De groene specht leeft in de winter van de nesten van de grote bosmieren, zelfs in de sneeuw weten ze de nesten de vinden, waarschijnlijk doordat ze weten aan de voet van welke boom een nest ligt. Als je dus in de winter groene spechten wilt zien, is de kans groter als je weet waar de nesten van de grote bosmieren zich bevinden. Mierennesten worden gemaakt van organisch materiaal, m.n. blaadjes en takjes. Het letterlijke hoogtepunt van het nest wordt rond mei bereikt, daarna zakt het nest in door vertering van het organisch materiaal. In de winter heeft het zijn dieptepunt en kan dan zelf een kuil in de bodem vormen. (Uitzondering in dennenbossen met dennennaalden, die verteren veel langzamer). De bodem van dergelijke nesten zijn door de aanvoer van voedingsstoffen voedselrijk geworden. Vroeger zag je daardoor alleen op en rond verlaten mierennesten gedurende zo'n 10 jaar brandnetels staan. (Maar dat zijn lang vervlogen tijden)
    De rode bosmier bijt niet, hij spuit alleen een zuur dat prikt op wondjes aan je handen. De straat- en de bosmier hebben geen angel. Steekmieren kunnen wel steken omdat ze een angel hebben.
    Er zijn veel insecten in het bos die de bosmier imiteren, bijvoorbeeld spinnen die de twee voorste pootjes als mierenantennen vormen, of wespjes. Ze hebben hier waarschijnlijk voordeel van, maar wat is nog niet bekend.

    Konijnenharen of konijnenpluis
    Op weg naar een bosmierennest, lagen op enkele open plekken plukken konijnhaar. Wat was de aard van het delict en wie was de dader?
    Mogelijkheden:

    • een vos, maar dan zie je haarpluizen met nog stukken vlees eraan
    • vechtende konijnenmannetjes, maar daar is nu het niet het juiste seizoen voor
    • zwangere konijnenvrouwtjes vlak voor de worp: ook niet de juiste periode nu
    • buizerd of haviken houden niet van haren in hun bekjes, daarom laten ze op een betrekkelijk klein oppervlakte compacte bosjes konijnenharen bij elkaar. Gert Jan ziet dit soort hoopjes pas sinds een paar jaar. Dit is precies de periode sinds de haviken in het duin zijn. Zijn conclusie is daarom dat de dader een havik was.

    Hazen en konijnen in het duin: de haas is het haasje
    Het konijn is pas later in de duinen terechtgekomen. In de jaren 50 verdwenen de konijnen bijna geheel door de ziekte myxomatose. Toen kwamen de hazen weer terug. Als de konijnenpopulatie zich weer herstelt verdwijnt de haas weer uit het duin als gevolg van een ingewandsworm die het konijn bij zich draagt. Het konijn is er goed tegen bestand, de haas sterft er aan.

    Heerlijke ontlasting eten!
    Gras is een zwaar te verteren groente voor alle dieren, mensen kunnen het niet eens verteren.. Zo hebben koeien een lang spijsverteringsstelsel en herkauwen. Konijnen produceren eerst een breiïge ontlasting die ze weer opeten (een soort herkauwen) en pas daarna komen de kenmerkende konijnenkeutels.

    Grote kunstwerken in het duin
    Tijdens het vervolg van de wandeling kwamen we een groep schitterende 'klimbomen' of 'omgevallen' bomen tegen waarbij het leek alsof ook de gebogen boomstammen in de bogen die op de bodem rustten weer in de grond wortelden. Dit zijn oude bomen die de eerste linie bomen waren na het open duin vanaf zee. De zoute zeewind blies ze oostwaards om. Pas in 1903 zijn er vóór deze bomen anderen geplant, waardoor het lijkt of er midden in het duinbos spontaan vreemd gevormde bomen liggen.

    Paddenstoelen
    Wij hebben twee paddenstoelen besproken:

    1. Eetbaar is de Parasolzwam, een vrij grote beige/bruine klassieke paddestoel, met aan de bovenkant van de stam een loszittend ringetje, zoals bij een echte parasol. Hij is nootachtig van smaak en heerlijk in de Heksensoep.
    2. De Groene Knolanemiet is de giftigste zwam van Nederland. Er zijn na het eten aanvankelijk geen symptomen, maar na een bepaalde periode sterft het slachtoffer snel. Na regen lijkt hij op de champion, de groene kleur en de schubben zijn er dan afgespoeld, of blijven wit. Bij een champion worden de schubben na regen altijd zwart.

    Heksensoep
    Na afloop kregen we in de tent, na flinke regenbuien, deze heerlijke soep:
    Ingrediënten (algemeen recept):

    • parasolzwam
    • hondsdraf
    • jonge brandneteltoppen
    • jonge boomblaadjes
    • paardenbloemen en -blad
    • jonge braamblaadjes (zonder stekeltjes)
    • jonge nagelkruidblaadjes

    n.b. nooit: blaadjes van jacobskruiskruid, want die zijn giftig!
    Alles mengen, wat bouillon er bij, en smullen!

    Deze soep wordt met en door de kinderen gemaakt in het kader van het project "Het Bewaarde Land", een 5 daagse duinbelevingsproject voor lagere schoolklassen. GertJan vertelde tijdens de regen schitterende verhalen over dit project. Zeer waarschijnlijk gaan wij als NGC komend voorjaar een dag "Het Bewaarde Land" beleven. Vrijwilligers die mee willen helpen of opgeleid willen worden als gids in dit project kunnen zich van harte opgeven, want er is een tekort aan medewerkers.

    Voor algemene informatie over het project kijk op: www.natuureducatie.nl, de schitterende site van het MEC Leiderdorp (zo wie zo een kijkje waard!). Op de openingspagina in het zoekblokje aanklikken op "Bewaarde Land".

    Dit was wederom een inspirerende NGC-excursie!!!

Hierna komt de volgende excursie

Naar het begin van deze tekst
DatumZaterdag 7 september 2002
LocatieDuingebied Hollands Duin bij Duindamse Slag/Noordwijk-Noordwijkerhout
ThemaZônering en successie in de duinen en andere duinzaken.
Tijd 09.30 t/m 13.00
Weer Flink bewolkt met eerst regen, later lichter bewolkt. Windkracht 4 - Temperatuur 16 naar 20 ° C
Door Cor Verdiesen
Welkom bij Staatsbosbeheer

    Zelden wordt er zo veel regen voorspeld als voor vanmorgen. Edoch: na een eerste bui, klaart het warempel op en wordt het zelfs heel prettig excursie-weer!
    En dat terwijl we in die geweldige Noordwijkerhoutse duinen al genietend onze kennis verder uitdiepen.

    Maar dat weten we nog niet als we tegen 9.30 uur verzamelen op de parkeerplaats bij de Duindamse Slag bij Noordwijkerhout. Stipt op tijd legt Wouter uit:

    1. We gaan van het binnenduin via het middenduin naar de zeereep lopen én
    2. We moeten ons in 4 groepjes verdelen, elk groepje bij 'n docent/gids. Deze zijn als ik het goed gezien heb: (1) André, (2) Henk, (3) Aad en Marian, (4) Els L. en Wouter. Ook de aanwezige mensen van de Berkheide-adoptiegroep (Ellen, Rob en Cor) verspreiden zich. Ik sluit me bij Els en Wouter aan samen met: Marion, Els B., Dick, Marijke.

    Pal buiten de parkeerplaats aan de duinrand vertelt Wouter dat er een plannetje aan het rijpen is de 'Mierenleeuw' op te gaan graven. Daarover straks meer. We houden het spannend.
    Els L. vertelt in haar inleidend praatje kort en bondig het verhaal over het ontstaan van de duinen; over oude, ontkalkte duinen én nieuwe, kalkrijke duinen. Zij laat ook een schematische doorsnede-tekening zien vanaf zeg maar van 'de Horsten' tot en met de Zeereep: het strandwallenlandschap.
    We staan hier pal aan de rand van het binnenduin, waar je heel duidelijk kan zien, dat men indertijd hier aan het afgraven is gegaan om bollenland te maken. Nu liggen er aan de rand veel campings.
    In de tijd van de Romijnen waren er meer duinen. Tussen 1558 en 1607 zijn er flinke stukken kust weggeslagen zoals het gehucht Berkhey (Berkheide net onder Katwijk).

    We lopen even door en gaan rechtsaf het duin in. Daar zien we meteen de hippo- en carni-flora (uitwerpselen paarden en honden). We zien er verschillende verstoringsplanten, zoals:

    kaasjeskruid: Kaasjeskruid is een stikstofminnende plant en groeit bijzonder goed op overbemeste plekken. Net zoals de andere leden van de kaasjeskruidfamilie bevat ook deze soort veel slijm en enige looistoffen. Hij werd vroeger dan ook als geneeskrachtige plant gebruikt, met name inwendig bij ontsteking van slijmvliezen, maar ook uitwendig voor de behandeling van wonden.

    Kaasjeskruid

    "Wat zie je nog meer?" vraagt Wouter.
    We zien: brandnetel, perzikkruid, varkensgras, grote klis, stinkende gouwe : Stinkende Gouwe heeft in alle organen een oranjegeel melksap, dat een reeks van alkaloïden bevat. Reeds sinds het begin van de Chinese beschaving wordt de plant als middel voor het wegbranden van wratten gebruikt.

    Natuurlijk staat daar ook de bijvoet (= Artemisia vulgaris)(familie v.d. zeealsem = Artemisia maritima). Beiden composieten. Bijvoet: een verklaring voor de wonderlijke naam van deze plant is, dat een aan de voet gebonden bosje ervan, moeheid voorkomt. De Romeinen pasten dit al toe. Vroeger vond de Bijvoet door zijn gehalte aan etherische oliën toepassing als artsenijplant. De stengelbladeren zijn ongesteeld en aan de voet geoord. Alle bladeren aan de onderzijde wit viltig. Bloeiwijze: kleine bloeihoofdjes dicht opeen. Even verder staat een gewone esdoorn. Daarbij hoort natuurlijk het verhaal van de verschillende soorten 'vleugeltjes'. We zien dat hierbij de hoek ervan kleiner is dan bij de noorse esdoorn. Weer komen we egelantier tegen met zijn oranjerood tot bloedrode bottels. Is het egelantier? Ja hoor, we kneuzen wat blaadjes en ruiken frisse appeltjes.

    Dan legt Els aan de hand van een tekening het verschil uit tussen de doorn van bijv. de meidoorn en de stekel van bijv. de roos.

    1. Een doorn vormt een geheel met de tak en is naar boven gericht.
    2. De stekel is een apart onderdeel aan de tak en is naar beneden gericht. Het zijn de 'ellebogen' in het struweel.

    Els vertelt het verhaal vanLucifer

    Els vertelt enthousiast het verhaal van Lucifer in de hel. Die doet zijn stekels omhoog. Waarom? Lucifer was het verblijf in de hel zat. Toen dwarrelden er rose zaadjes. Op de grond en met water groeiden ze en groeiden ze. Lucifer beklom en klauwde tegen de roze stengel die hoog reikte. De roos zei: "Wat maak je me nou?" en deed zijn stekels omlaag. Uiteindelijk boinkte Lucifer op de grond. Lucifer is dus nog in de hel. Dit is het verhaal van 't stekelroosje.

    We zien de dagkoekoeksbloem (2-huizig) met vruchtbeginsel, zaadbol en steviger stengel; (vr) kelk soms rood; open maken, geen vruchtbeginsel; helmknop m. stuifmeel.

    Wilgenroosje (Teunisbloemfamilie) is pluizig; wanneer rijp, kan je uit elkaar trekken, = windverspreider. Zie ook het 'elfenverhaal' over het wilgenroosje opgetekend door Marian Kathmann in Sleutelblad nr. 1 - maart 2002)

    Wilgenroosje

    We zien:

    • paarden met bereiders ons pad kruisen. Die zie je vaker in het duin.
    • Graafwespen hoopjes vers zand ± 10 cm.;
    • Salomonszegel zwarte besjes (enkel)
    • Duinroos spinosissima? donkere bottels
    • Duinsterretje (mos) Natuurlijk doen we ook de waterproef.

    Mierenleeuw - Myrmeleon formicarius We gaan rechts wat naar boven en daar zien we de 'zandtrechters' van de mierenleeuw-larven. Er wordt een mier in zo'n kuiltje gegooid en direct zien we dat de mier een beetje naar beneden vastgetrokken wordt. Volgens onderstaand verhaaltje (uit: 'Natuurgids' ANWB) zien we dat deze leeggezogen wordt. Het is een indrukwekkend gebeuren. We zijn het er over eens dat je dit maar niet tijdens een publieksexcursie moet laten zien. Dit is ook een typisch voorbeeld van: "je moet het weten, anders valt een dergelijk bouwsel niet op."

    Zandtrechters' van de mierenleeuw-larven

    De mierenleeuw-larve

    De mierenleeuw volwasssen

    L 35 mm Sp tot 80 mm - mei-aug.
    K: slank, met grote, ongevlekte vleugels; lichaam bruin.
    V: in grote delen van Europa, algemener in het mediterrane gebied; op zandstranden, in de binnenduinen, zandige heidevelden e.d.
    W: de volwassen dieren lijken op Iibellen, maar zijn gemakkelijk te herkennen aan de korte, knotsvormige voelsprieten en aan de langzame manier van vliegen. Opmerkelijk is de levenswijze van de larven, de eigenlijke mierenleeuwen (1b); ze leven alleen in zandgrond en bouwen kleine trechters (lc) waaronder ze zich ingraven. Alleen de krachtige tangen steken iets naar buiten. Raakt een mier over de rand van de trechter, dan valt hij omlaag en kan in het wegglijdende zand niet meer omhoog. De mierenleeuw zuigt zijn slachtoffer dan leeg.

    De grote mierenleeuw-kuil?
    Foto: "Marijke: Is dit dé grote mierenleeuw-kuil?" fantasie -

    Teunisbloem 1e jrs. Rozetten
    Balsempopulier vruchtje "purol"-luchtje
    Zandzegge = naaimachientje
    Wilde peen uitgebloeide schermbloem = vogelnestje
    Hennepnetel verstoringsplant (lipbloemig)
    meeldauw
    Zuurbes = Berberis m. langwerpige, rode vruchtjes.
    Salomonszegel m. vlinder.
    Vlasbekje Cor laat zien dat als je vlak onderin bloem knijpt het 'vogelbekje' open gaat; fam. helmkruid.
    Duindoorn vr./m.-struiken met/zonder besjes.
    Van de Duindoorn heeft men fossiele stuifmeel-korrels gevonden die bijna 10.000 jaar oud waren. Hieruit heeft men af kunnen leiden dat het een van de pionierplanten was die zich vlak na de Ijstijd in onze streken vestigden. De Duindoorn is in staat uitlopers te vormen, die de grond met hun wortels bijeenhouden en al snel tot bosjes uitgroeien.

    Duindoorn

    Net als andere pionierplanten heeft de Duindoorn zeer veel licht en ruimte nodig om de gedijen. Ook bezit hij het vermogen om stikstof uit de lucht op te nemen en dit in een voor andere planten bruikbare vorm in de grond te brengen. Deze eigenschappen voeren de struik zelf echter naar de ondergang, want zodra hij gezorgd heeft voor een stabiele, vruchtbare bodem, verschijnen er grotere bomen die het licht en de ruimte wegnemen die hij nodig heeft. Men vindt hem bij ons dan ook vrijwel alleen nog maar in de duinen. De rijpe besjes zijn vitamine-C-rijk en smaken heerlijk als je van een ietwat zurige smaak houdt.

    We zien:

    • verschillende hoopjes wit zand en vragen ons af of het molshopen zijn.
    • een gat met knikkende distel erin.
    • weer een overhangende boom met weer mierenleeuwkuiltjes eronder. Ook hier geldt: je moet het even weten. Het werkt.
    • havikskruid, een composiet.
    We staan even stil bij een amerikaanse vogelkers met zijn in september prachtige rood tot oranje herfstblad en zijn naar bittere amandelen smakende donkere besjes (=blauwzuur).

    Amerikaanse vogelkers

  • Verder horen we pimpelmeesjes en het tikken van de grote bonte specht.

    We lopen nu over de groene-paaltjes-route.

    Ook de wilde kardinaalmuts - na de vraat van de stippelmot voor de 2e maal dit jaar met blad - staat volop in bloei.
    De vruchten zijn vierlobbige zaaddozen, die bij rijpheid een dieproze kleur krijgen en ze kunnen 4x1 oranje zaden bevatten, die later rijp er vlak onder hangen.

    Wilde kardinaalmuts

    Daarnaast een cotoneaster met besjes.

    We gaan rechtsaf.

    We horen het zeer hoge geluid van goudhaantjes. Ik hoor het nog net.

    Daar staat een brede, eenzaadlobbige, uitgebloeide wespenorchis. Je ziet duidelijk de nerven van de kroonbladeren parallel lopen.

    Li. zien we een abeel met op zijn bast grote wybertjes. Even verderop staan de 1e jaars-rozetten van de bosklit (distel). Klis is de oude naam. Tussen het gras zien we een bremraap. Deze parasiteert dus op gras.
    We zien geregeld zogenaamde keutelplaatsen oftewel konijnenlatrines. Deze liggen vaak op een opvallende, iets verhoogde plek. Erop vind je nog wel eens een vossendrol. De plek is voedselrijk. Dat kan je ook aan de omringende planten zien.
    Intussen zijn we in het middenduin (Ligusterweg). Ook dat is aan de soorten planten te zien. De begroeiing wordt lager andersoortige begroeiing.
    We zien esdoorn; zuring, zwarte nachtschade, bladrozet v.d. koningskroon.

    Els vertelt over zgn. winterannuellen.
    Deze overzomeren als zaad. De miniplanten, zoals vroegeling, kandelaartje, zandhoornbloem, ruw vergeet-mij-nietje, reigersbek en zanddoddegras bloeien in het vroege voorjaar; zij vormen voor de zomer hun zaad en sterven dan af. Het zaad ontkiemt in de herfst en de plantjes profiteren voor hun groei van het winterzonnetje zodat ze het volgende vooijaar weer volop in bloei kunnen staan. Zulke planten noemen we Winterannuellen.

    Hier ook volop het duinkruiskruid (oude naam = Jakobskruiskruid). Hierbij past natuurlijk het verhaal van de geelzwarte zebrarupsen van de mooie rood-zwarte Jacobvlinder (één en hetzelfde beest). In tegenstelling tot de stippelmotten, zien we hier als eerste de vlinders verschijnen.

    Duinkruiskruid

    Dat komt doordat deze soort als pop in de grond overwintert. De lichtgele eitjes worden in groepjes tegen de onderkant van een blad alleen van het duinkruiskruid afgezet. De kleine rupsjes blijven op hetzelfde blad. De rups vervelt daar in 5 stadia, daarna verpopt hij zich. De grotere rupsen verspreiden zich over de hele plant en eten bij voorkeur eerst de bloemknoppen. Als de rupsen hun plant helemaal hebben kaalgevreten, gaan de 4e en 5e stadiumrupsen op zoek naar meer voedsel. Ze zoeken dan het hele duin af. Wordt niet tijdig weer duinkruiskruid gevonden, dan rest slechts de hongerdood.

    We zien hier op de open zandplekken zandzegge groeien. Dit plantje groeit zeer snel met lange een ondergrondse wortelstok. Hij gaat zigzaggend rond en naait zo in korte tijd een open plek dicht. Het zand wordt vastgehouden. (het: naaimachientje') Het plantje kan tegen overwaaien met zand.

    Hierbij past natuurlijk goed het sucsessie-verhaal: Goede zandvastieggers als zandzegge en duindoorn weten zich als pioniers te vestigen en scheppen als kwartiermakers een geschikt milieu voor vele andere planten en struiken. Dit hele proces van vegetatieontwikkeling, waarbij pioniersoorten plaats maken voor andere soorten, die op hun beurt het milieu weer geschikt maken voor hun opvolgers, wordt successie genoemd.

    In de duinen kan zo'n ongestoorde successie uiteindelijk leiden tot de ontwikkeling van een eiken-berkenbos. De bodem is dan inmiddels gerijpt van schelp tot rijk strandzand tot humusrijke bosgrond. Weer een konijnenlatrine. Er zijn mossen en korstmossen. We zien het duinsterretje. Dat ziet er vooral bruinig uit. Is het dood? Neen! Er zit volop leven in en dat zie je binnen een minuut als je er wat water over giet of spuit. Bijna meteen worden de mini-plantjes (want dat zijn het) weer groen! Dit doet het altijd goed tijdens een excursie/natuurwandeling.

    Er staat ook:

    • Havikskruid, met gele lintbloemen (composiet).
    • Streepzaad.
    • Zanddoddegras voorjaar?
    • Vleugeltjesbloem
    • Melkdistel (composiet)
    • Wespenorchis
    • Amerikaanse vogelkers
    • Wilde liguster langs de 'ligusterweg'!
    • Hondstong, rozet ervan (2-jarig); bladeren zacht
    • Kruipwilg kruising ervan;
    • Kromhals zou hier voorkomen; we zoeken ernaar, maar vinden hem niet.
    • Slangekruid: rozet; ruwe bladen.
    • Drie-distel zou een eer aan de schepper
    • Driekleurig viooltje
    • hier geen heide kalk

    We gaan de trap op naar de top. We zien: wilde asperge en molsla.

    Pad door de duinen

    Van bovenaf zien we goed de noordhelling en de zuidhelling én het verschil in begroeiïng.
    De zuidhelling ligt, vooral in de zomer, in de zon te bakken. Vandaar dat er 's zomers een woestijn-klimaat kan heersen. Door de zon kan de temperatuur vlak boven de grond tot boven de 500 C. oplopen, terwijl 's-nachts - dankzij uitstraling - de afkoeling groot is. Deze hellingen zijn erg droog, ondanks het feit dat er meer regen opvalt (overheersende zuid-westenwind) dan op de andere helling. Het water verdampt echter snel en de bovengrond blijft droog. Op deze hellingen treffen we een schrale plantengroei aan. Hier groeien vooral de winter-annuellen, een heel aparte groep van éénjarige planten. Voor deze planten is de zomer het moeilijke jaargetijde. Zij overzomeren dan ook in de vorm van zaad, zoals de andere planten overwinteren. Ze ontkiemen in de herfst, vormen in de winter al een wortel-rozet(je) en in