Verklarende woordenlijst bomen | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Naam | Omschrijving
| Abiotisch:
| Verband houdend met of onder invloed van andere omgevingsinvloeden dan die van dierlijke organismen, bijvoorbeeld klimaatsfactoren (wind, zeewind, temperatuur) en vergiftigingen (luchtverontreiniging).
| Biotisch:
| Verband houdend met of onder invloed van levende organismen zoals dieren (bijvoorbeeld insekten).
| Bodemvruchtbaarheid:
| De bodemvruchtbaarheid is een indicatie voor de geschiktheid voor de groei van planten, waaronder houtige gewassen. Doorgaans wordt de term alleen gebruikt voor de chemische bodemvruchtbaarheid, ofwel een voldoende aanwezigheid van opneembare voedingselementen, maar dit kan niet worden losgezien van de opneembaarheid van de aanwezige voedingselementen, waarbij ook andere factoren zoals een voldoende water- en luchthuishouding van de bodem een bepalende rol spelen.
| Cultivar:
| Een afkorting van cultuurvariëteit (ook wel aangegeven als cv.). Dit zijn planten die uit een soort, variëteit of kruising zijn ontstaan of geselecteerd en die op vegetatieve wijze word vermeerderd, hetgeen inhoudt dat de genetische eigenschappen van de plant behouden blijven.
| Cultuurvariëteit:
| Zie cultivar
| CV.:
| Zie cultivar.
| Eénhuizigheid:
| Op de plant zitten zowel mannelijke als vrouwelijke bloemen, ofwel de bloemen zijn zowel mannelijk (meeldraden) als vrouwelijk (stamper)
| Eénslachtigheid:
| De bloemen óf mannelijk (ze bevatten alleen meeldraden), óf vrouwelijk (ze bevatten alleen stampers).
| Enten:
| Het bevestigen van (een stukje van) een tak of twijg, ook wel ent of griffel genoemd, aan een boom of op een onderstam, op een zodanige wijze dat ze met elkaar kunnen vergroeien. Als regel zijn ent en onderstam van dezelfde soort of van hetzelfde geslacht, maar daarop bestaan uitzonderingen.
| Fastigiaat:
| Smal opgaand, met steil omhoog gericht takken.
| Herstelvermogen:
| Het vermogen van een organisme om zich te herstellen van een verzwakking wanneer de oorzaak daarvan is weggenomen. Het betreft eveneens het herstel op korte of langere termijn van de oorspronkelijke of uiteindelijke structuur van een plant wanneer onderdelen daarvan zijn beschadigd of verdwenen.
| Honingdauw:
| Een kleverig afscheidingsproduct van bladluizen dat in kleine druppels valt op de voorwerpen die zich onder de boomkroon bevinden.
| Hybride:
| Een natuurlijk of opzettelijk kruisingsproduct van twee verschillende soorten.
| Kloon:
| Een organisme waarvan de nakomelingen, door de wijze waarop het organisme is vermenigvuldigd (vegetatief) dezelfde genetische eigenschappen bezitten als het organisme zelf.
| Kroonbreuk:
| Een situatie waarbij, meestal als gevolg van harde wind, zware takken in de kroon doormidden breken of van de stam afscheuren. Dit heeft ondermeer te maken met de stevigheid van het hout en de stevigheid waarmee de takken met de hoofdstam zijn vergroeid. Dit kan per boomsoort verschillend zijn.
| Nomenclatuur:
| Wetenschappelijke naamgeving, in dit geval van de houtige gewassen.
| N-org.:
| Staat voor N-organisch waarmee het gehalte aan stikstof in de organische stof wordt aangeduid. Het geeft, gerelateerd aan het totale gehalte aan organische stof (dat zich bijvoorbeeld in de bodem bevindt en dan soms humus wordt genoemd) een indicatie voor de kwaliteit voor de organische stof en (indirect) de snelheid waarmee dit onder bekende omstandigheden kan worden afgebroken door het bodemleven.
| Oculeren:
| Ook wel oogenten genoemd. Het bevestigen van een stukje bast met een knop (oog) aan een boom of op een onderstam, op een zodanige wijze dat ze met elkaar kunnen vergroeien. Als regel zijn ent en onderstam van dezelfde soort of van hetzelfde geslacht, maar daarop bestaan uitzonderingen.
| Onderstam:
| Een plant die ofwel generatief (d.w.z. uit zaad) ofwel vegetatief (d.w.z. door te stekken of door het zgn. afleggen) is ontstaan en waaraan men een andere plant door middel van ent- of oculatie-technieken laat vastgroeien, zodanig dat de onderstam het toekomstige wortelstelsel vormt van de geënte of geoculeerde plant.
| Onverenigbaarheid:
| Een proces waarbij op korte of langere termijn (uitgestelde onverenigbaarheid) er problemen ontstaan met de vergroeiing tussen een onderstam en de daarop geënte of geoculeerde plant.
| Overhoek:
| Een oppervlakte grond, van doorgaans beperkte afmeting dat is ingeplant met zgn. bosplantsoen (van nature als onderbegroeiing in bossen voorkomende houtige gewassen)
| pH-indifferent:
| Er is geen gevoeligheid voor ofwel een hoge ofwel een lage pH-KCl van de bodem.
| pH-KCl:
| De pH, ook wel aangeduid als zuurgraad is een maat voor de zuurheid van de bodem. De toevoeging KCl (dit staat voor kaliumchloride) slaat op de manier waarop de pH in het laboratorium wordt bepaald. Hoe lager de pH is, des te zuurder is de bodem. Bij hoge pH noemt men de bodem basisch. Voor de meeste boom- en struiksoorten soorten geldt dat een pH-KCl waarde tussen 4,5 en 6,0 optimaal is. In hoeverre kan worden gesproken van te hoog dan wel te laag is afhankelijk van de boom- of struiksoort zelf.
| P-tot.:
| Staat voor totaal-fosfor. In de bosbouw wordt de bodemgeschiktheid als regel beoordeeld aan de hand van het P-totaal cijfer (uitgedrukt in mg difosforpentoxide per 100 g droge grond) dat in het laboratorium wordt vastgesteld. Een P-tot. cijfer > 40 mg P2O5 per 100 g grond is voldoende voor meer-eisende boomsoorten. Voor minder eisende boomsoorten is > 30 acceptabel en voor weinige eisende soorten een waarde > 20. Voor meer kortdurende teelten van houtige gewassen wordt daarentegen vaker gebruik gemaakt
van het P-AL cijfer (het fosfor-ammoniumlactaat cijfer). Een P-AL waarde < 20 mg P2O5/100 g droge grond is laag, 20-40 matig, en > 40 goed.
| Regeneratievermogen:
| Zie herstelvermogen
| Stekken:
| De vermeerdering van bomen uit stekhout, d.w.z. uit twijgen (of gedeelten daarvan) die in een grondsubstraat worden gepoot en beworteling wordt gevormd vanuit het onder de grond gestoken gedeelte van de stek.
| Taxonomie:
| De systematische indeling van het planten- en dierenrijk in orden, suborden, families, geslachten en soorten, alsmede de (wetenschappelijke) benaming van deze groepen .
| Teeltwijze:
| De techniek waarmee de bomen worden vermeerderd. In een bredere context slaat het tevens op de wijze waarop de bomen, na de vermeerdering op de kwekerij verder worden geteeld tot verhandelbaar materiaal.
| Tweehuizigheid:
| Op de plant zitten alleen vrouwelijke bloemen (stamperbloemen) óf alleen mannelijke bloemen (meeldraadbloemen).
| Tweeslachtigheid:
| De bloemen bevatten zowel stampers als meeldraden en zijn dus zowel mannelijk als vrouwelijk.
| Variëteit:
| Afgekort: var. Groepen van planten die op een of meerdere eigenschappen afwijken van de soort en waarvan de eigenschappen in stand blijven bij vermeerdering uit zaad.
| Windworp:
| Windworp vindt plaats wanneer een boom door harde wind omver wordt geblazen (geworpen) doordat de beworteling onvoldoende is om de boom stevig genoeg in de bodem te verankeren. Soms heeft dit te maken met voor de boom ongunstige eigenschappen van de bodem, waardoor de wortelontwikkeling achterblijft bij die van de bovengrondse delen van de boom, maar vaak heeft het ook te maken met het gedrag van de boom zelf, oftewel het vermogen van een boom om nog voldoende positief op de voor wortelontwikkeling ong
unstige bodemfactoren te reageren.
| Wondafgrendeling:
| Het mechanisme waardoor de boom beschadigingen geneest en waarbij door diverse fysiologische processen in de boom het beschadigde weefsel zodanig wordt overgroeid en afgegrendeld (ingekapseld) van het nog gezonde hout dat de bedreiging van het gezonde hout (door bijvoorbeeld rot veroorzakende microrganismen) wordt geminimaliseerd.
| Wortelopslag:
| Het ontstaan van takscheuten en twijgen uit de ondergrondse delen van de plant.
| |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
Het is afkomstig van DRYADE Dendrologische databank
E-mail: De.helpdesk@pd.bib.wau.nl
| DRYADE is een gegevensbestand over de gebruikswaarde van boomsoorten (inclusief de struikvormende boomsoorten) en hun cultivars voor hun toepassing als sierboom in het landschap en het stedelijk groen. |

Terug naar de homepage
Terug naar Natuur op het Web