Dinsdag 7 april
Capo Vaticano Palermo (320 km)
Reeds om 6.00 uur worden we gewekt, een half uur eerder dan wat we al normaal zijn gaan vinden. Het mag niet baten: we zitten in de bus een half uur te wachten op de broodjes die we meekrijgen. Die hebben we nodig omdat we rond lunchtijd nergens een gelegenheid zullen vinden om iets te eten.
We rijden naar Reggio Calabria in de dikke teen van Italië. Hier gaan we de bronzen van Riace bewonderen, twee prachtige antieke beelden van Griekse soldaten. De beelden werden op 16 augustus 1972 door een Romeinse sportduiker in de Ionische Zee uit de kust bij Riace gevonden. Hij schrok zich eerst lam toen hij een arm uit de zeebodem zag opsteken maar realiseerde zich al snel dat het om een beeld ging. Met voorbeeldige eerlijkheid stelde hij de autoriteiten van zijn vondst op de hoogte en daaraan hebben wij te danken dat we de twee beelden nu kunnen zien. Ze zijn werkelijk prachtig. Meer dan mansgroot en verbazingwekkend gedetailleerd. Je ziet aders en pezen onder de huid lopen en verwacht lichaamswarmte te voelen als je ze mocht aanraken. A en B, zoals ze heten, hebben een heel natuurlijke pose aangenomen: het rechter been als standbeen, de heupen gedraaid, de beweging zet zich voort tot in de schouders. Hun baarden en vooral de rozige lippen zijn levensecht. En, zo verzekeren de dames in ons gezelschap ons, ze hebben ook een lekker kontje. De bronzen zijn in de 5e eeuw v. Chr. gegoten.
Toen we uit de bus stapten om naar het Museo Nationale di Reggio Calabria te gaan kregen we het dringende verzoek om ons van alle kostbaarheden te ontdoen. Tassen in de bus laten, horloges, kettingen, zelfs oorbellen af. Geen fototassen mee, het toestel om de nek hangen. In Reggio di Calabria zouden meer moorden gepleegd worden dan in New York City.
We rijden weer iets terug in noordelijke richting om in Villa S. Giovanni scheep te gaan. De overtocht naar Messina duurt slechts 20 minuten. De zee is rustig, de veerboot wiegt zachtjes heen en weer. We zijn op Sicilië. Ergens in de buurt van Tyndaris is het tijd om te picknicken. We vinden een mooi uitziend plekje maar moeten een eind langs het strand lopen omdat juist op die plek het riool in zee uitkomt. De broodjes, die door ervaren handen met ham en kaas belegd worden, smaken goed.
Bij vertrek worden in de bus de vrije stoelen geteld. We moeten er twee hebben. Het is verbazingwekkend dat deze omgekeerde manier van appèl houden nooit problemen heeft veroorzaakt. We hebben nooit iemand vergeten.
Het volgende programmapunt is Cefalù, waar we over de kustweg naar toe rijden. De plaatselijke kathedraal, gebouwd in arabo-normandische stijl, heeft een mooi mozaïek met de afbeelding van Christus Pantocrator in de apsis. Opvallend zijn de moderne gebrandschilderde ramen.
Na het broodnodige ijsje en een goed gesprek met een beo reizen we verder naar Palermo alwaar we voor vier nachten ons kampement opslaan in hotel Grande Albergo Sole, een typisch voorbeeld van vergane glorie. De verslagenheid in de groep is groot. Dit is het hotel waar we het langst zullen blijven en dan komen we in "deze oude troep" terecht. Dit gevoel zal later wel wegebben. Ik heb bij mijn weten als enige een kamer aan de straatkant. De straat is de Corso Vittorio Emanuele, de Palermitaanse hoofdstraat. Het hotel ligt op steenworp afstand van de Quattro Canti, het centrum van de hoofdstad van Sicilië. En recht tegenover mijn kamer staat het stadhuis, met een grote fontein ervoor. Het is een drukte van jewelste op straat: autos, scooters en apecars: die grappige, driewielige brommers met cabine en laadbak. En er wordt wat afgetoeterd, meestal om niets. Dat belooft weinig goeds voor mijn nachtrust. Wonderwel zal ik echter goed slapen. Ook al stelt het eten ons teleur: ossobuco.