|
Collection
of Poems |
Emotional suffering has deeply marked the
soul of the artist. The loss of both parents at a young age, her
distress, her anxiety for the future to come, her loneliness, her
uncertainty, love and disillusionment... all these have intensified her
need to express these feelings in creating art. Most poems are
written in Dutch, some even in French or English, but all were kept
hidden for many years. Reading the poems reveals the emotional
highlights of this artist. Some clearly describe her filosophy about the
established society. Almost nobody ever knew about the existence of this
lyric poetry of the hand of artist-painter Arlette Steenmans. At several
occasions art-critics described the paintings of Arlette as lyrical and
pure poetry, being unaware of the hidden poems that she wrote in
critical situations. Here we give an overview of the poems as far as
these could be retrieved:
|
|
Aan
moeder
zo tere het vallen in 't fonkelende nat
van dropjes van hoger gekomen
zo tere, moeder, is het dat
de dood je van ons heeft genomen
zo tere het sterven door regen en wind
om zacht naar diepte te deinen
zo tere, moeder, als bloesem bemind
om eeuwig in 't niets te verdwijnen
zo tere het leven van ons weggevlucht
de bloesem reeds lang hier vandaan
zo tere, moeder, zie'k nu pas de vrucht
van de bloem die hier heeft gestaan |
|
|
|
|
Eenzaam en
verloren
Vader is gestorven, liet achter ons met twee
water klaar bedorven tot grijs en loze zee
Verleden nam ons beet, nam weg de eenheid waar
eens pogend werd gesmeed, langzamer jaar na jaar
Vader is gestorven, de aarde staat niet stil
zelfs nu het verworven niet verder leven wil
Toekomst staat te wachten, een hand voor het gelaat
blikkend naar de nachten die niet hebben gebaat
want vader is gestorven, plannen waren loos
zij heeft slechts verworven, haar status voor een poos
Vroeger werd gezogen en leven nieuw gezonden,
de hond lijkt opgetogen, likt onwetend wonden
van haar in kamerjas, van mij net opgestaan
beginnend dagen vrij, we kunnen ze niet aan |
|
|
Voor het
kikkertje
O, kikkertje, lief schepsel klein
een jasje en een groen tapijt
het zal wel nooit jouw kennis zijn
te weten dan hoe schoon gij zijt
de stipjes, talrijk rond gevlekt
en oogjes puilend turend
op zoek naar eten, een insekt
en dan instinkt afvurend
O, kikkertje, ik zou zo graag
eens kruipen in jouw huid
en zien de schone wereld laag
ter hoogte van het kruid
waarin gij spreekt uw eigen taal
doorheen de kleine zachte geuren
O, kikkertje kon ik éénmaal
net als jij zo groentjes kleuren! |

|
|
|

|
voor mijn vader
hoe stille is 't nu jij me laat
je zijn een straal van leven scheen
zo stille daar die sterre staat
in 't frele blauw zo heel alleen
hoe stille is 't nu jij me laat
net niet zo stil als ' t wel kan zijn
want 'k hoor nog steeds je hart dat slaat
hoe ver dat ook mag zijn
hoe stille is't nu jij me laat
zo stil dat 'k zelfs je adem hoor
en al de tranen die 'k nu ween
ik weet dat het niets baat
want ergens zingt een heel ver koor
en stille , zo stille ga jij nu heen |
|
|
Vaarwel mijn
land der dwazen
Vaarwel mijn land der dwazen
werken, zwoegen tot g'u krom
net niet glipte door de mazen
van het net naar andersom
Vaarwel mijn land der dwazen
met cijfers, nummers, tijd en stond
gij zijt gestrikt als dwaze hazen
in het tikkend klokverbond
Vaarwel mijn land der dwazen
de wijzers houwen bitter door
en filosofen, wijzen preken
't kaartspel met de rust als azen
maar ze kaarten zich van 't spoor
en blijven zelf in 't dwaze steken
|
 |
|
|

|
Gedicht voor mijn hond Flip
Voor zijn ogen alleen al zou ik van hem houden
de kleuren van groen en bruin zo apart
Met zijn warmte alleen zouden branden de wouden
maar 'k sla ze veel liever op in mijn hart
Voor zijn huid alleen al zou ik van hem houden
zo zacht voor mij, geschoren of kaal
Met zijn vriendschap wellicht bleef vrede behouden
maar 'k noem ze slechts als onze taal
Voor zijn ouderdom nader bemin 'k hem niet minder
al zou hij nog jaren leven
en al was hij bron van meerdere hinder
voor zijn blikken, zijn groeten, zijn staren in 't rond
voor zijn zijn alleen al zou ik alles geven
ook is hij voor velen alleen maar een hond |
|
|
Aan wie kan ik
vertellen
Aan wie kan ik vertellen
hoeveel ik van je hou
de wind doet woorden vellen
als ik het zeggen zou
misschien kan't aan een vogel
maar die is telkens bang
wanneer ik juist wil zeggen
dat ik niet zonder kan
en bomen of de bloemen die weten 't veel te kort
want jaarlijks valt hun weten
steeds dieper in de grond
aan wie kan ik vertellen, de liefde van een vrouw
geen bloem, geen dier, geen mens
die 't ook maar ooit geloven zou |
 |
|
|
|
|
De
ontmoeting
Er is meer in hemel ende aard
dan met woorden kan beslecht
onrust, wanhoop vaak gebaard
peilers dieper dan gezegd
De hemel houdt verstarring in
van wonderen daar ontleend
maar 'k heb ook meerdere keer gezien
dat 'k om die hemel heb geweend
De ontmoeting tussen jou en mij
is heden een levend gedicht
waarin liefde dan beschreven zij
als sterren van het hemellicht |
|
|
Mijn hond
is gestorven
Mijn hond is pas gestorven
van mij nu heen gegaan
zijn lijk weldra bedorven
zie ik al voor me staan
Mijn hond ligt dood zo broos
zoals ook sterven kan een mens
zijn wezen daar zo levensloos
gestapt over de grote grens
Mijn hond is nu gestorven reeds
een tijd lang van
vandaag
ik mis hem en ik ween dan maar
en weet ik droom nog steeds
Eens echter klopt zijn hart te traag
en ben ik wakker klaar. |
|
|
|

|
Bloemen
zolang nog
bloemen leven fraaien
symbool voor hem, symbool voor haar
met wind als hulp doen liefde waaien
naar het in stengels geboren paar
zolang nog bloemen velden kleuren
harmonisch 'dagend tot het blauw
waaronder bijtjes 'zoete geuren
raadsel zijn van man en vrouw
zolang nog bloemen jaarlijks neder
gelegd voor hen die dierbaar zijn
zolang ze bloeien telkens weder
ook na
verloren liefdeswijn
zolang nog bloemen zijn op
aard
wordt afscheid nemen heus bezwaard |
|
|
Afscheid
eens zullen bloemen, velden, wijd
naar 't verre mij gezellen
eens zal ik dan ook moe de strijd
mijn laatste dagen tellen
eens zal ik van je gaan
je laten zo bemind
zal hij de deur beslaan
mij nemen dan, de wind
voor altijd van mezelf
zal ik dan afscheid nemen
hellend naar de horizon
met tranen binden stenen
werpen in het water, ikzelf
sterf 's avonds met de zon |
 |
|
|
|
Slapeloze nacht
Onder een hemel o zo puur
kan ik het slapen nog niet aan
in dit lichte blauwe vuur
wil ik de verte
gadeslaan
o god, o god,
geloof ik weer?
Heb ik dan ooit geloof gehad,
of was het slechts een enkele keer
in hoge nood ik U aanbad?
Ik draai verwarring in mijn bed
ik voel me dronken, eek
alleen al als ik denk aan "het"
ik wordt wellicht nog bleek.
Was het nou geen pure nacht
een zacht en lichtend blauwe sfeer
of heeft dit wonder weer gebracht
een vraag, zovele meer? |
|
|
A qui
pourrais-je dire
A qui pourrais-je dire
que moi je t'aime vraiment
le vent ferait maudire
ces mots en le disant
et aux oiseaux c' est pire
car ils ont toujours peur
chaque fois que je veux dire
que j'ai si mal au coeur
aux arbres j' ai tenté
mais leur secret est court
leurs feuilles chaque année
l' enterrent sans retour
A qui pourrais-je dire
ce que je sens pour toi
il n'y a que sourires
de ceux ne croyant pas |
|
|
|

|
Verlangen
Als ik naar dezelfde hemel zou zien
waar jij nu ook naar kijkt
of naar dezelfde ster misschien
die daar zo prachtig prijkt
Als ik naar dezelfde vogel zou zien
waar jij nu ook naar kijkt
of naar dezelfde duif misschien
die nu jouw huis bereikt
Als ik naar dezelfde trein zou luisteren
die golvend brengt de wind
en als ik aan een blad zou fluisteren
of naar een bloem zou wenken
jij wordt door mij bemind
zou jij dan aan mij denken? |
|
|
De tuin
van 't oudershuis
wit de maan
hoog aan de hemel
nu ontdaan
van stergewemel
blauw de lucht
groen het gras
vogels gevlucht
of in struikgewas
klokken zingend
nodigen tot de heer
klanken wringend
in het geheel
vogels in 't blauw
in groep verleidend
een eenling gauw
mijn wezen vermijdend
plots verzwonden
alleen nog de zon
om een bloem af te ronden
vlammend aan de horizon
geluid door de takken
een zachte zucht
zal dan ook verzwakken
tenslotte rust |
 |
|
|
|
Herinnering
Weet dat 't niet eens staat geschreven
in het water van
de regen
niet in druppels freel als glas
of in een doodgewone plas
Niet in wolken van hierboven
niet in mooie kleine strofen
in een lied of zacht
refrein
in 't lawaai van ginds een trein
Weet dat 't niet eens kan geschreven
dan alleen maar in mijn hart
waar je altijd wel zal leven
onze vader zo apart |
|
|
Het verleden
ik hou van mijn verleden
het laat me niet meer los
ik weet dat toekomst, heden
rijpend is als druiventros
maar kind zie ik mezelf
in wereld onvolwassen
met tevergeefs gedelf
naar soortgelijke rassen
ik hou van vader, moeder, hond
maar die zijn al lang dood
ik hou van mijn
verleden
maar 'k raak niet aan mijn brood
wanneer ik niet op tijd en stond
eens denken zou aan 't heden. |
|
|
|
Je hand
Ik wou je graag geven
een hand dag en nacht
ik heb daar mijn leven
al vaak aan gedacht
ik kan niet vergeten
wat eens is gevoeld
met telkens geweten
en hart zo doorwoeld
Ik weet het fatsoen
met bittere regels
zal nooit onderdoen
voor tedere vlegels
als ik en een duizend
gezwicht hier op aard
voor wie geluk huizend
in spooksteden staart
dus ik laat je gaan
met handen wellicht
maar niet zonder traan
want ik draag je gezicht
en weet in mijn land
een droom voor ons bei
hou ik vast jouw hand
en jij die van mij
|
|
Lieve moeder
Nu ik groot ben, lieve moeder
weet ik pas hoezeer 'k je mis
nu jouw tedere veilige oever
van welleer niet bij me is
Nu ik groot ben lieve vader
weet ik plots dat 'k van je hou
net alsof ik nooit eens nader
met mijn hartje praten wou
Nu ik groot ben lieve ouders
word ik zelf moeder snel
en mijn kind trekt op de schouders
als 'k van liefde dan vertel
' k weet nu wel de tijd brengt raad
ook mijn liefde kwam te laat
|
|
|
|
Spijt
Er komt een tijd van spijt niet meer gekend
verleden laat voor wat het eenmaal was
je terug kan blikken naar foto of een prent
de lievelingsjongen uit jouw klas
er komt een tijd die echter heeft genomen
die iemand die jouw liefde bleek
en zonder spijt tracht jij nu te ontkomen
aan wat voor jou toen waardig leek
er komt een tijd van spijt niet meer gekend
je zekerheid de ware roos te zijn geplukt
uit een verleden weinig toch of niet verwend
bij ogenblikken onbeheerst aanschouwen
van gedachten beelden niet verdrukt
zal jij eens om die tijd nog rouwen
|
|
Dood van een moeder
Waar leven zo geschonden wordt, naar ongeschonden
toe
blijft achter een leven, geschonden, gebroken
't verdriet gestort, melk van een jonge koe
de stralende zon in aarde verdoken,
voor hem die schrijnend steeds in wit en zwart
het grijzige afwisselend lijkt,
voor hem , toen nors, afschuwelijk apart,
haar schoonheid nu ook verloren blijkt.
Geen die zoiets zou doen gebeuren
een daad gesteld door niemandal
een huis nu een jaar verlaten door deuren
kan voor U nimmer brengen een thuis
want wat eens was een warme stal
dat hart slaat niet meer in huis
(4 november 1977) |
|
|
|
Triest
Ik heb geen zin om neer te pennen
bloeiend melancholie
Ik heb geen zin om uit te schreeuwen
wie ik het liefste zie
Ik heb zin om heen te gaan
waar ik blijven vind
Ik heb zin om niet te denken
aan wat mij 't meeste zint
|
| Samen dromen
Ik wou je vertellen
ik wil met je mee
door droom vergezellen
in wel en in wee
naar werelden ver
oneindig misschien
waar 't licht van een ster
niet meer is te zien
ik wil je beminnen
dromen aan je zij
de liefde innen
die jij gaf aan mij
ik wil we ontnemen
de moeilijke zorgen
en zware problemen
in slaap nog geborgen
maar droom is geschapen
voor ieder apart
zodat je bij 't slapen
alleen telkens start
|
|
Vrouw
Een hart groot als vuist
in goud klaar gegoten
waarin goedheid huist
door aders gestoten
gekaderd in schoon
van goddelijke hand
ontklommen de troon
paradijselijk gekant
ik dank alle goden
als ik dan aanschouw
dit kunstwerk geboden
daar voel ik me vrouw
|
|
Woorden
tekort
Woorden reiken steeds te kort
hebben immer kracht te min
voor een bron zo heft gestort
bestaat slechts eeuwige zin
geen klanken, noten op papier
lijken thans zo verloren
als deze woorden hier
het vloeit niet uit de pen
geen symphonie nog is geboren
voor het leed dat ik nu ken
|
|
|
|
Schoonheid
jouw lichaam is schennis der heiligdom de kostbare
sierraden hen ontleend
puzzle van bloesems en broosheid alom
op aarde ontloken, in bloem dan versteend
tot meesterwerk van beitel en houwer
gesneden doorheen de zachtste steen
duizend één porien omgeven door lauwer
van levenskroonblaadjes uit het lage veen
jouw lichaam is reinste poezie
onzichtbare woorden der dichter
geregen in verzen tot relikwie
van gouddraad als veren nog lichter
het kan niet omschreven jouw schoonheid
de navel der eeuwige minnen
waarachtig ik voel mij door toorn benijd
als mens een god te beminnen
|
|
Schoon
Waar mensen, twee, de eenvoud plukken
vruchten van een zelfde boom
en daar na jaren nog in lukken
daar is geen woord te schoon
Waar zelf en graag de last gedragen
als een kind door moederstroon
en veilige oevers telkens dagen
ook daar weer is geen woord te schoon
Waar liefde dan wordt afgebeeld
door ring en vinger saam
tot het eeuwige , zo gewoon
dag en nacht met twee gedeeld
slechts één woord is hier dan bekwaam
en dat is het woord schoon |
|
|
|
Generatiekloof
Beiden zullen slapen, nachten lang niet gewenst
richten elk een wapen, naar dagen ver verwenst
berijden dan paarden, de merries uit de droom
die zij evenaren , ontdaan van nachtelijk chroom
Beiden gaan ontwaken, de tijd, verschil in uur
zuchten dieper slakend en praten tot de muur
zitten, zielig, alleen, leven dan, herkauwend
waarbij niet zelden één, meerdere traan afsnauwend
en beiden zijn ze dicht, nog verder van elkaar
ze praten soms, wellicht, al is het even maar
snel wordt dan evenwicht het wankele gewaar
en houden dromen op, zijn zij weer beiden doof
voor wederzijds geklop van hart en zieleroof
met twintig jaar voorop , de generatiekloof
|
|
De kleine
dingen
Ik heb ze nooit bekeken
de bloempjes langs de weg
omdat ze kleiner leken
dan die van aan de heg
ik heb ze nooit bekeken
de vlinders in de wei
mijn aandacht bleef maar steken
bij wat steeds groter zei
Nu echter zou ik kijken
naar grassen, bloem en sloot
maar 'k heb te laat besloten
dingen die zo kleintjes lijken
mijn ogen zijn reeds half gesloten
en morgen ben ik dood
|
|
|