Het Anna Varvers-Gasthuis (1632) in de Nieuwe Kijk in ’t Jatstraat te Groningen

Herdenkings artikel uit 1932, geschreven door T. (Met enkele foto’s van Internet.)

 

 

 

Van verschillende zijden werden we er op attent gemaakt, dat het Anna Varvers-Gasthuis in 1932 juist drie eeuwen bestaat. Een steen in den gevel vertelt, dat het gebouwd werd in 1632. We waren echter ten opzichte van dit jubileum enigszins weifelend. Er doet zich hier namelijk het merkwaardig geval voor dat de fundatie- of stichtingsbrief van het huis dateert van 30 mei 1635. Een tegenstrijdigheid dus.  Het geval zit echter - naar onze mening – zo. De stichteres van het Gasthuis bezat reeds lang het voornemen een dergelijke inrichting tot stand te brengen en begon alvast met het laten bouwen van het daar voor bestemde huis. Dit was in 1632 voltooid en in de gevel werd, naar de in de 17e eeuw gebruikelijke gewoonte, een steen gemetseld, waarop de bestemming van het huis en het stichtingsjaar werden aangeduid. Toen het huis gereed was, heeft de “weldadige Anna Varvers” daar aan enige vrouwen huisvesting verleend. Later toen alles in orde was en naar wens marcheerde, heeft ze haar stichting vastgelegd door met Burgemeesteren en Raad der stad een beschikking daaromtrent vast te stellen: de fundatiebrief. Dit gebeurde 30 mei 1635. De stichting was toen officieel gevestigd. Het gebouw bestaat dus thans drie eeuwen en zal al die jaren - de eerste drie jaren officieus - als Gasthuis gefungeerd hebben. Er bestaat dus alle reden een ogenblik bij dit Gasthuis stil te staan.

In het begin der 17e eeuw, toen de vierde, de grote uitleg van Groningen plaats vond (1607-1624), een uitbreiding die voornamelijk noord- en oostwaarts gericht was, bleef de verdedigingsgracht, waarover de Jatsbrug lag, als scheepvaartdiep en als havenplaats bestaan. De gracht bleef de verbinding vormen van het Schuitendiep met het Reitdiep en hierdoor met de Noordzee.

 

In die tijden van stadsuitbreiding woonde in de buurt van de Jatsbrug, aan de buitenkant, aan de westzijde van de straat, Anna Varvers, weduwe van Andrijes Jaspers. Ze bewoonde daar een huis met een hof. Deze dame behoorde tot een der aanzienlijkste families van de stad en was zeer rijk.

 

Dit blijkt niet alleen uit de fundatiebrief, ons vriendelijk ter hand gesteld door de Erfvoogd Mr. L. B. Lohman te Haren, waarin vermeld staat, dat ze vele bezittingen heeft, "waer mit Godt haar rijckelijk gesegent heeft", maar ook uit het feit, dat ze als meisje van negen jaar door een bekwame schilder geschilderd werd.

Dit schilderij dateert van 1587, zodat we hieruit kunnen concluderen, dat Anna Varvers geboren werd in 1578. 

 

Het portret, dat wij hieronder reproduceren werd omstreeks 1640 vervaardigd en geeft Anna Varvers dus op de leeftijd van om en bij 62 jaar. Beide portretten hangen in ons M. V. O. Het laatste - onze reproductie - hing oorspronkelijk in het Gasthuis en werd op voorstel van de heer Mr. L. B. Lohman aan het Museum in bruikleen afgestaan: bij die zelfde gelegenheid ontving het museum van het Gasthuis een prachtige ijzeren, geldkist in bruikleen. De brede kraag, die Anna Varvers op het portret draagt, is een gewijzigde vorm van de toen ter tijd in Frankrijk veel gedragen Berthekraag. Deze kraag, maar dan niet gesloten, maakte onder Lodewijk XIV veel opgang. De mouwen werden toen teruggeslagen en met batist- of kantmanchetten afgewerkt.

 

 

 

Fig. 1 : Anna Varvers op ca. 62 jarige leeftijd, geschilderd in 1640.  

 

 

Dat Anna Varvers aan de Jatstraat woonde, blijkt uit de aanhef van de fundatiebrief:

"Wij borgemeisteren ende raedt in Groningen doen kundigh ende betugen mit dezen openen versegelden brieve, dat voor ons in eigener persone gekomen ende verschenen is die eer en die deuchtenrijke vrouw "Anna Varvers, ende bekende hoe dat sij uit vrien onbedwongenen willen ter eere Godts tot onderholt van eenige behoeftige vrouwespersonen hadde gebouwet, geordineert en getimmert een woeninge (woning) in de Jatstrate voor an haar hoff".

Op den plattegrond der stad, in 1643 getekend door Haubois, komen achter de huizen in de omgeving van 't' Gasthuis dan ook zeer grote tuinen en hoven voor, die door hekwerk gescheiden zijn.

Spreekt de stichtingsbrief van "onderholt van eenige behoeftige vrouwespersonen", de gevelsteen noemt,speciaal weduwen. Deze draagt tot opschrift: "Tot Godes Eer End Tot der Wedwen Onderhout, Vrou Anna Varwers Heeft Dees Woning Hyr Gebout. Anno 1632"

 

Fig. 2. De gevelsteen (bron internet).

 

De woning bestond oorspronkelijk uit "twee ruimen", in ieder ruim drie bedsteden. Officieel mochten deze "twee ruimen" eerst "nae haren doetlichen afganck" dienen als woning voor "vijff ofte sesse behoeftige ende noodtdruftige vrouwespersonen nae gelegentheyt". Mocht "die eene ofte de ander afstervende, ofte door eenige oorsake die plaatse coemende te verlaten", dan zal die plaats opnieuw bezet worden. Anna Varvers bepaalde verder, dat "nae haren doodt" de stichting zou genieten "drie hundert caroliguldens jaerlixe renten van een capitaal ter summe ses duysent gelijcke guldenen." Deze f 6000 waren "beleght op dese stadt Groningen". Ze mochten niet worden afgelost "maer tot eewigen dagen op dese stadt geheel onvermindert vast beleght blijven, tenzij die edele ende mogende heeren borgemeisteren en die raedt dieselvige willen aflossen". Was dit het geval, dan - zo werd voorgeschreven – “soelen die gemelde ses duysent caroliguldens kapitaal wederomme worden beleght op wisse ende vaste onderpanden jaar1icks onfeilbaar de renten te connen vorderen welcke renten aen de behoeftige vrouwspersoenen alle weken in gereden gelde hooft voor hooft ieder evenveel, worden betaelet ,ende uitgekiert“. De kosten van reparaties aan het gebouw moesten van de rente worden genomen, "sunder in eenige manieren de capitale somma te soelen vermoegen vermindert worden, maer ten ewigen dage verbliven moeten”.

 

Anna Varvers gaf bij haar leven ook reeds jaarlijks f 300 aan de Gasthuisbewoonsters. Dit blijkt uit de bepaling in de fundatie: "soo vroegh Godt Almaghtigh haer uit desen levende geëischt sal hebben, datelich uit hare gerederte penningen ofte goederen genoemen soelen worden een summa driehundert caroligulden, om daarmede de genoemde nooddruftige vrouwspersonen weeklicks tot haere onderholt te betaelen, ondertusschen dat de rente sal comen te verschijnen, ende - soo daer wat overich come te verblijven, het selviger ten besten van de woeninge ofte 't gunt daaraf dependeren mach imploijeren". Anna Varvers was zelf administratrice van de instelling. Zij bepaalde echter, dat "nae hare aflijvigheijt" (na haar dood) de raadsheer Petrus Isbrants "alleene sal wesen curator of administrator over voornoemde huijs ende vrouwespersoenen, mitsgaders de gehele administratie soo in de jaarlixe renten en 't gene gesecht is te ontfangen ende uit te keeren de capitale somma bi soo verre die worde afgelostet, wederomme te beleggen. Item de geheele dispositie om de vrouwespersoenen in toe nemen ende uit te setten, doen ende laeten nae zijn believen ende goedvindent, sunder een ander rechargie ofte tegenseggen".

Petrus Isbrants was dus de eerste Voogd van het Gasthuis. Anna Varvers bepaalde ook, wie na hem Voogd zouden zijn.  De stichtingsbrief bevat met betrekking daartoe deze voorschriften: "Ende nae verstarf van gemelte raatsheer Isbrants sal in sijn plaats succederen ende treden de erentfeste hopman Lucas van Hulten der junge. Nae aflijvigheit van de erentfeste hopman van Hulten de erentfeste Egbertus Wilckens, de welcke beijde successive ieder sijn leventlanck eener gelijcke macht ende dispositie over desen gegeven sal sijn, gelijk welgemelte raetsheer Isbrants geduirende sijn administratie gehad heeft."

Wees Anna Varvers dus een drietal personen aan, die achtereenvolgens als Voogd van het Gasthuis zouden fungeren, ook voor de latere voogdij maakte zij een bepaling. De acte toch vermeldt: "Als de erentfeste Egbertus Wilckens gestorven sal zijn, soo versochte bede en de begeerte comparantinne seer ootmoedigh, dat wij borgemeisteren ende raadt hoogst gedacht alsdan daer gelieven wolden te stellen gequalficeerde curateuren van hare familie, ten einde haer goede intentie in voegen boven gesegt successive ende ten ewigen dage in comparantinnen daertoe verordineerde ende getimmerde woninge worde voortgesettet ende niet anders te gedogen; begeerende mede, dat de curateurs successive de voorsorge willen dragen ende daerop letten bij de inneminge, dat de ingebragte goed'eren nae verstarf aldaer soelen verbliven is het nodig te bedingen, ende ‘t selve vercopen tot profijt, om iemand meerder in te nemen, als daarvan soe veele sal sijn gecomen tot onderholt als eene van de ander persoenen coenen krijgen ende eerder niet nae gelegentheijt van de woeninge". Deze laatste bepaling, dat de nagelaten goederen van een overleden conventualin aan het gesticht vervielen, bracht de Voogden in 1866 tot het besluit vast te stellen, dat een inkoopsom van f 100 betaald moet worden, voor "afkoop van des convents recht op de door conventualinnen na te laten goederen". Wat het benoemen van Voogden betreft, hebben Burgemeesteren en Raad bij Resolutie van 18 Januari 1747 bepaald, dat "in het toekomstig bij voorvallende vacatures voor de benoeming tot voogd van het Anna Varvers Gasthuis altijd de naastbestaande oudste zal worden gepraefereerd".

De stichteres bepaalde dus, dat vertegenwoordigers van haar familie de voogdijschap over het Gasthuis zouden voeren. Verder legde zij haar erfgenamen en de nazaten van deze de verplichting op, te zorgen, dat het Gasthuis, zoals zij het heeft bedoeld, in stand blijft. “Willende ende niettemin begerende van haere erfgenamen 't samenlick ende een ijder in het besunder ende een ijder die dit angaat, soe lief haar Godt ende haer eigene conscientie is, de bevorderinge te sollen doen, dat nae haar constituanten doedt dese constitutiebrief in alle sijne poincten sal mogen worden geeffectueerd ende nagecomen als ad pios usus alsoo geordineert ofte in wat voegen men nae rechte 't selvige sal comen ende wieten to verdengenen." De constitutie- of fundatiebrief eindigt met de woorden: "In oirconde der waerheyt, ende tot meerdere vestenisse hebben wij borgemeisteren ende raedt hoogst gemeldt door instantelijck begeren van Vrouw Anna Varvers alhijr constituante ende omme haere goede intentie ende voernemen voort te setten, dese constitutiebrief mit onzer stadsgroete segel bevestigt in 't jaer van de geboorte onses Heeren ende Salighmakers Jesu Chisti een duysend seshondert vijff ende dartigh, den dartichsten may, doe Bernhard Sijgers, Johan Huninga. Hindrick Schouenborch ende Petrus Eisinga borgemeisteren waeren onser stadt".

Onder aan de brief, geschreven op framijn, hing een zegel van groene was, De ondertekening luidde: "Anna Varwers, weduwe van wijlen Andrijes Jaspers".

     De wensen van de stichteres Anna Varwers zijn door haar familie steeds op prompte wijze nagekomen en worden nog heden ten dage door haar verre nazaten hoog gehouden. Reeds sedert 1721 is een vertegenwoordiger der bekende eminente familie Lohman een der Voogden, terwijl sedert 1788 een lid der familie Cremers tevens als Voogd fungeert. Omstreeks die tijd - 1788 - ontstond de gewoonte, de zes plaatsen in het gasthuis te vergeven aan drie Protestantse en drie Katholieke vrouwen, welke gewoonte thans nog bestaat.

In 1895 werd Mr. L. B. Lohman, die in Haren woonde op de aardige Esser hoeve, die model zou kunnen staan voor de voorbehuizing van een typische Groningse boerderij, voogd van het Gasthuis en bekleedt deze functie met den heer Baron van Voorst tot Voorst nog in 1932. De verwantschap is door huwelijk met een kleindochter van Lucas van Hulten ontstaan. Het geslacht Lohman is afkomstig uit het graafschap Bentheim. Verscheidene leden van dit geslacht maakten te Neuenhaus deel uit van de regering. In de 17e eeuw verhuisde het geslacht Lohman naar Groningen. In 1663 kwam Meinhard Lohman te Groningen. Zijn zoon Hendrik Lohman huwde in 1694 met Elsa Tammen. Zij erfde in 1727 van haar vader Johan Tammen, heer van Loppersum, [die gehuwd was met Helena van Hulten (de dochter van de eerder genoemde Lucas)], een huis aan de Vismarkt. Dit huis werd van 1727-1848 door de familie Lohman bewoond. Het huis werd door hem in 1848 verkocht. Het werd tot op onze tijd bewoond door Jhr. Mr. H. L. van Vierssen Trip.

De vrouwen in het Gasthuis zijn hoogst voldaan en tevreden met "heur Gasthuisplaatsje". Ze leven daar in het flink en uiterst netjes onderhouden Gasthuis heel gezellig en knus, kunnen het uitstekend met elkaar vinden. Door de tijdsomstandigheden is de inkoopsom in 1932 van f100 tot f 400 gebracht. Dat vroeger "de vrouwelijke verdraagzaamheid" wel wat te wensen overliet, blijkt uit de "Ordonnantie waarna de Conventualen sigh sullen hebben te houden en dragen". Deze regel werd door de Voogden in 1722 vastgesteld gevolgd door een tweede in 1730. We ontlenen hieraan: "Vooreerst sullen de Conventualen sigh onthouden van alle kijverien, onenigheden, slageriën en in alle enigheijt met malkandren leven en behulpsaem sijn in siekte, malkandren alle liefde betonen, vorige verschillen vergeten, sullende degene, die hier tegen aengaen, na eijsch van saken door d'Heren Voogden worden gestraft. Ten tweeden sullen geen Conventualen sigh verstouten enig goet uit het Convent (Gasthuis) te verbrengen, nog van hetgene sij daer ingebragt hebben en daer in bij versterf moet verblijven, nog van hetgene haer tot onderhout wordt gegeven, als rogge, vleesch, boter, bier en so voort bij straffe van ses weken de lepel te worden gebroken en gesuspendeert". Eigenaardige uitdrukking "de lepel te worden gebroken" voor het inhouden der uitkeringen. In 1932 ontvangen de conventualinnen geen uitkering meer in natura, maar elke maand tien gulden en verder nog enkele toelagen.

In maart 1866 besloten de voogden tot uitbreiding over te gaan, daar "het de bedoeling niet kan zijn doelloos te kapitaliseeren". Er werden twee kamers bij gebouwd. Op het ogenblik telt het Gasthuis zes kamers, die aan zes vrouwen huisvesting verlenen. Aardige, nette, gezellige kamers.

Hulde aan Vrouw Anna Varvers voor deze haar weldadige familie stichting, aan de familie Lohman en Cremers voor de uitstekend wijze, waarop ze haar taak als voogden opnemen. Dank aan de Erfvoogd Mr. Louis Bothenius Lohman, Esserhoeve, Haren, voor met de meeste bereidheid verstrekte gegevens.

T.

(bewerkt door F.v.H)