Stichting
Oude
Groninger
kerken,
publicatie
28,
november
1982. A.
Pathuis en
H.G. de
Olde
DE
KERK VAN
EENUM
Eenums
hoge berg[1],
zo werd in
de
volksmond
de wierde
genoemd
waarop,
slechts
van elkaar
gescheiden
door een
gracht, de
middeleeuwse
kerspelkerk
en de veel
jongere
borg waren
gebouwd.
Van deze
twee is
alleen de
kerk nog
over[2].
De borg
werd in
1800
afgebroken.
In de
jaren
1880-1885
is het
terrein
rondom de
kerk
afgegraven
zodat
zelfs de
vroegere
plaats van
de borg
niet meer
te
onderkennen
valt[3].
De
kerk was
uitgerust
met een
dakruiter
op het
westeinde
van het
dak (afb.
1). Eerst
in 1701
werd deze
vervangen
door een
toren,
gebouwd
tegen de
westelijke
gevel van
de kerk.
Dit blijkt
uit de
inhoud van
een potje
dat bij
restauratiewerkzaamheden
in 1930
uit de
torenmuur
te
voorschijn
kwam[4].
Op de
torenspits
prijkt een
windvaan
met het
jaartal
1710, de
naamletters
van Reindt
Alberda en
de
emblemen
uit diens
wapen:
drie
leliën en
een ster[5].
Het
halfrond
gesloten
koor werd
in 1845
afgebroken.
Een rechte
sluitmuur
kwam er
voor in de
plaats[6].
Het in een
baksteen
van deze
muur
gegrifte
jaartal
memoreert
de
verbouw.
De
grafzerken
voor de
borgbewoners
de
gebroeders
Willem
Ubbena (†1639)
en Reint
Ubbena (†1639)
kwamen er
door
buiten de
kerk te
liggen en
zakten in
de grond[7].
In 1967
zijn ze
weer
blootgelegd
door de
heer H. J.
Jansonius
te
Overschild.
Het is
niet
uitgesloten
dat zich
op het
koor ook
een
grafkelder
bevond;
bij het
bodemonderzoek
in 1976
werd
daarvoor
geen
aanwijzing
meer
gevonden[8].
Een
steen werd
van het
koor
overgebracht
naar de
kerk,
ingepast
in de
nieuwe
sluitmuur
en samen
met deze
bepleisterd.
In de
pleisterlaag
werd een
uitsparing
gelaten,
waardoor
de tekst
leesbaar
bleef. De
tekst
bevond
zich onder
de
preekstoel
uit 1654,
die bij
deze
gelegenheid
van zijn
oorspronkelijke
plaats aan
de
zuidwand
naar de
nieuwe
oostmuur
was
overgebracht[9].
fig.
1 De kerk
van Eenum
voor 1701.
Gebrandschilderd
glas,
afkomstig
uit de
kerk; op
22
december
1915 in
bruikleen
gegeven
aan het
Groninger
Museum.
Afmetingen
15
1/2
x 18 cm.
Met de
jaren ging
de kennis
van deze
steen
verloren[10].
Slechts
twee
schetsjes
in het
Rijksarchief
in
Groningen
vertelden
dat er
buiten de
tekst een
wapen en
twee
groepen
van acht
kwartieren
op waren
uitgebeiteld
(afb. 2)
[11].

Inmiddels
werd de
kerk van
Eenum in
1976-1977
gerestaureerd[12].
Overeenkomstig
de
verwachting
van
sommigen,
maar tot
verrassing
van velen,
kwam de
volledige
steen weer
te
voorschijn,
zij het
fors
beschadigd.
Voor de
draagbalk
van de
preekstoel
was een
rechthoekig
gat in de
steen
gehakt en
enkele
wapens
waren
ietwat
afgekapt
om de muur
zo vlak
mogelijk
te maken.
Maar de
oude
kleuren
waren, hoe
verflauwd
ook, nog
vrijwel
alle
aanwezig.
Bij de
restauratie
werd de
steen uit
zijn
ongelukkige
positie in
de
oostwand
verwijderd
en nu in
de
noordwand
van de
kerk
aangebracht.
Principieel
werd
afgezien
van elke
retouche
of
aanvulling;
slechts
werd het
gat in het
hoofdwapen
gedicht,
waarna in
de specie
werd
gegrift:
verplaatst
a.d. 1977
(afb. 3).

fig. 3
Gedenksteen
voor
Reindt
Alberda,
nu in de
noordwand
van de
kerk van
Eenum.
EEN
GEDENKTEKEN
VOOR
REINDT
ALBERDA
Is de
steen
vanwege
zijn
verschijningsvorm
en zijn
recente
lotgevallen
al
belangwekkend
genoeg,
werkelijk
intrigerend
wordt hij
wanneer we
hem wat
nader
beschouwen
en in
verband
brengen
met een
aantal
andere
gegevens.
Klaarblijkelijk is de steen geen grafzerk. Niet slechts noemt een van de schetsjes hem een "Gedenkteeken", ook de bijzonderheden van de steen zelf maken een plaatsing in de vloer van de kerk onwaarschijnlijk: Het formaat is oblong, breder dan hoog, iets wat bij grafzerken vrijwel niet voorkomt[13]. De wapens zijn gekleurd, hetgeen gebruik als zerk of als deksteen voor een grafkelder minder geschikt maakt. Langs de bovenrand is nog zichtbaar dat deze ooit door een nu afgekapte lijst werd afgesloten. Zowel blijkens de oudste schets als op grond van de omraming van het oorspronkelijk met een kroon gedekte hoofdwapen is het zeker dat de steen in het midden hoger is geweest, of dat het gedenkteken uit meer stenen was samengesteld. Zouden de afmetingen van de geel-grijze zandsteen (hoog 1,51 m, breed 2,20 m) nog wel met een bestemming als grafzerk of deksteen te verenigen zijn, de meeste andere karakteristieken pleiten er tegen.
Welke
informatie
levert de
steen ons
verder? In
het
midden,
boven de
tekst,
bevindt
zich het
hoofdwapen.
Het is
gedeeld:
I. Alberda
(in blauw
drie
gouden
leliën,
vergezeld
in het
schildhart
van een
gouden
ster); II.
Jarges (in
rood een
gouden
hartschild,
beladen
met een
zwarte
letter H,
het
hartschild
vergezeld
van acht
zilveren
rozen,
drie van
boven,
drie van
onderen en
een aan
elke
zijde). In
het
schildhart
is over de
deellijn
een helaas
zwaar
beschadigd
wapentje
aangebracht.
Het enige
dat nog is
te
onderkennen
is een
roos in de
schildvoet.
Van andere
voorbeelden
is dit
wapen niet
bekend,
zodat
reconstructie
niet
doenlijk
is. Het
wapentje
geeft de
bezitting
Eenum aan,
volgens
een
gewoonte
die in het
midden van
de
zeventiende
eeuw
ingang
vond om de
borg,
waaraan
diverse
heren her
verworven
rechten
waren
"gehecht",
met een
wapen aan
te duiden.
Soortgelijke
wapens
zijn van
een
dertigtal
borgen
bekend en
worden
veelal,
doch niet
altijd,
als
hartschild
op het
onderverdeelde
hoofdschild
geplaatst.
Als
schildhouders
fungeren
twee
leeuwen,
hier
ernstig
beschadigd.
Ook van de
kroon is
weinig
meer over.
Aan
beide
zijden van
het
hoofdwapen
bevinden
zich twee
rijen van
vier
wapens
onder
elkaar,
die niet
vergezeld
gaan van
namen.
Deze
kwartieren
zijn:
Alberda
Ubbena
Jarges
Van
Hulten
Schatter
Coenders
Entens
Barels
Broersema
Alberda
Froma
Van
de Lare
De
Mepsche
Roltman
Ompteda
?
De
tekst
onder het
hoofdwapen
luidt als
volgt:
REINDT
ALBERDA
COLLATOR
ET
TOPARCHA
IN
EENUM IN
ZANDT
LEERMENS
EENUM
ZEERIJP
EESTRUM
TENPOST
TERLAAN IN
REIJLANDT
ET IN
VIERBUIREN
NOBILIS ET
IUDICIS
IUS HABENS
PRAEFECTUS
CATHARACTAE
SCARMENSIS
IN
CASTELLO
DELFZIJLIA
HAEREDITARIUS
IN CURIA
HOVETMANNORUM
GRONINGAE
ET
OMLANDIAE
ASSESSOR
MATRIMO
NIO
CONIUNCTUS
FUIT CUM
GENEROSISSIMA
ET
INCLITA
MATRONA
DOMINA
IOHANNA
HORENKEN
OBIJT ANNO
1724 DEN
15 IANUWA[14]
Een
vertaling
van deze
in
quasi-Latijn
gestelde
opsomming
van alle
functies
van Reindt
Alberda
biedt het
volgende:
Reindt
Alberda,
collator
en
hoofdeling
in Eenum,
jonker en
redger in
't Zandt,
Leermens,
Eenum,
Zeerijp,
Eestrum,
Ten Post,
Ter Laan,
in
Reijland
en in
Vierburen,
erfschepper
van het
Scharmerzijlvest
in de
vesting
Delfzijl,
zitting
hebbend in
de
hoofdmannenkamer
van
Groningen
en
Ommelanden,
was gehuwd
met de
zeer
aanzienlijke
en
doorluchte
Johanna
Horenken.
Hij stierf
in het
jaar 1724,
de 15e
januari.
Het is
aannemelijk
dat de
sterfdatum
door een
latere
hand werd
aangebracht
dan het
overige
deel van
de tekst:
de letters
zijn ten
dele
anders van
vorm, en
de
steenhouwer
dan wel
diens
opdrachtgever
laat nu
elke
poging
varen om
zich in
het Latijn
uit te
drukken.
Van de
hoofdtekst
gescheiden
door een
grotendeels
afgekapte
maar nog
juist
herkenbare
doodskop
met
gekruiste
doodsbeenderen
is geheel
onder aan
de steen
de spreuk
MORS
ULTIMA
LINEA
RERUM
geplaatst.
fig.
4.
Deze
spreuk
komt in
Eenum ook
voor op de
eerder
genoemde
zerk voor
Willem
Ubbena (†1631)
en is daar
vrijwel
zeker aan
ontleend (afb.
4)[15].
Het is een
citaat uit
een der
brieven
van
Horatius,
zij het
met een
kleine
variant.
Horatius
schreef: Mors
ultima
linea
rerumst, waarbij
het
laatste
woord een
samentrekking
is van rerum
est. De
zin zonder
est blijft
evenwel
correct
Latijn. De
spreuk
betekent:
de dood is
de
eindstreep
der
dingen.
Het beeld
is
ontleend
aan de
wedloop in
het
stadion:
de
startstreep,
die ook
finishlijn
is, wordt
gedurende
de ronden
van de
wedloop
meermalen
overschreden,
tot op
zeker
ogenblik
de laatste
ronde is
afgelegd[16].
DE
KWARTIERSTAAT
ALBERDA-HORENKEN

fig.
5.
Wapenkwartierstaat
Alberda-Horenken,
geschilderd
door Jan
P. Herlin.
Afkomstig
van de
borg van
Eenum, nu
in het
bezit van
de Dienst
Verspreide
Rijkscollecties.
Bij
een eerste
kennismaking
met de
steen
lijkt
niets de
conclusie
in de weg
te staan
dat hij is
aangebracht
om de
herinnering
levend te
houden aan
Reindt (II)
Alberda,
heer van
Eenum,
zoon van
Reindt (I)
Alberda en
Clara
Jarges,
echtgenoot
van
Johanna
Horenken.
Maar
er is
meer. Want
dezelfde
Reindt
Alberda,
wiens
waardigheden
in de
tekst
worden
vermeld,
liet
samen.met
zijn vrouw
ook een
grootse
kwartierstaat
Alberda-Horenken
schilderen,
in de vorm
van een
loofboom[17].
Naast en
onder de
boom is de
borg te
Eenum
afgebeeld.
Van de 64
mogelijke
kwartieren
in de
hoogste
takken
ontbreken
er 8,
omdat het
wapen Van
Hulten van
de
schoonmoeder
van Reindt
I niet is
geschilderd
en al haar
voorouders
dat lot
delen (afb.
5)[18].
Wat
schuilt
hier
achter?
Het moet
al hoogst
onwaarschijnlijk
worden
geacht dat
Reindt II,
die over
zijn
voorgeslacht
verder
uitnemend
blijkt te
zijn
geïnformeerd,
niet wist
uit welk
geslacht
zijn
grootmoeder
van
moederszijde
stamde. De
gedenksteen
met het
wapen Van
Hulten
toont
bovendien
dat hij
niet
onwetend kon
zijn.
Als de
sterfdatum
inderdaad
door een
andere
hand is
ingekapt
is het
zelfs
mogelijk
dat het
opschrift
met de
functies
van Reindt
al bij
zijn leven
is
aangebracht.
Het heeft
er alle
schijn van
dat hij
zijn
afstamming
van zijn
grootmoeder
Anna van
Hulten
niet wilde
weten.
Maar
waarom
prijkt het
versmade
wapen dan
wel op
zijn
steen? Kan
het zijn
dat de
steen al
veel
langer, in
relatie
met zijn
vader en
moeder
bestand?
We zullen ons een weinig verdiepen in zijn geslacht en ons tegelijkertijd rekenschap geven van het belang dat adellijke borgbewoners in de zeventiende en achttiende eeuw aan hun afstamming hechtten.
DE
GESLOTEN
STAND DER
OMMELANDER
ADEL
In
1686
overleed
op haar
borg te
Godlinze
Everdina
Ubbena,
weduwe van
Herman
Clant[19].
Van haar
erfde een
neef,
Reindt (I)
Alberda,
1630-1691,
de borg te
Eenum met
alles wat
daar bij
behoorde[20].
Anders dan
zijn tante
ging hij
er wel
wonen,
waarschijnlijk
al voor
haar dood.
Hij
trouwde
twee maal:
eerst met
Elisabeth
Wicheringe,
1630-1656,
daarna met
Clara
Jarges,
1635-1694[21].
fig.
6. Portret
van Reindt
Alberda
1662-1724.
Heer van
Eenum.
Afkomstig
van de
borg van
Eenum.
De
ouders van
Reindt
Alberda en
ook zijn
vier
grootouders
behoorden
tot de
bekende
Ommelander
geslachten,
evenals
die van
Clara’s
vader, Coppen
Jarges,
1575-1642,
hoofdeling
te Saaksum
en
secretaris
van
Westerwolde[22].
Clara’s
moeder was
Anna
van Hulten,
geboren in
1592 te
Leeuwarden
en
overleden
in 1652.
Coppen en
Anna waren
getrouwd
te
Groningen
in 1617,
kort na de
reductie
van 1594,
toen de
Ommelander
adel nog
geen
gesloten
stand
vormde.
Weliswaar
was Anna's
vader
Lucas van
Hulten een
vermogend
burger van
Groningen
en haar
moeder de
burgemeestersdochter
Hiske
Baroldes
(Barels),
maar de
familie
Van
Hulten,
waarvan de
leden
later
velerlei
ambten in
de Stad
bekleedden,
behoorde
niet tot
de later
zo
gesloten
kaste van
de
Ommelander
jonkers[23].
In 1617
speelde
dat nog
geen rol,
en
blijkbaar
ook nog
niet toen
Reindt en
Clara -
vóór
1662 -
trouwden.
Reindt
Alberda
overleed 5
november
1691
"nae
een
langduirende
siekte"
te
Groningen
en werd
aldaar
begraven[24].
Zijn
weduwe
stierf in
1694[25].
Hun oudste
zoon,
eveneens
Reindt (II)
genaamd,
volgde
zijn vader
op als
heer van
Eenum (afb.
6)[26].
Hij was
geboren in
1662,
overleed
15 januari
1724
"nae
een lange
en
uijtterende
siekte"
en werd op
1 februari
“s
avondts
tusschen 8
en 9 uir
int choor
van dese
kecke tot
Enum
begraven[27]."
Zijn
huwelijk
met
Johanna
Horenken
was in
1685
voltrokken.
Zij leefde
van 1661
tot 1708
en vond
haar
laatste
rustplaats
in de
Martinikerk
te
Groningen[28].
Ten
tijde van
dit
echtpaar
kwam in
1704 het
orgel in
de kerk te
Eenum tot
stand[29].

fig.
7. Orgel
in de kerk
van Eenum
in 1704
door Arp
Schnitger
gebouwd.
Op de
borstwering
de wapens
Alberda-Jarges
en
Horenken-
Van
Isselmuden.
De
heraldieke
versiering,
met
vermelding
van hun
namen,
beperkt
zich tot
de wapens
van de
wederzijdse
ouders,
Alberda-Jarges
en
Horenken-Van
Isselmuden
(afb. 7)[30].
Als men in
beginsel
al verder
had willen
gaan, dan
gebood het
standsbesef
hier halt
te houden.
Men
schaamde
zich diep
voor de
afstamming
van
niet-adellijke
voorouders
zoals
Reindt
zijn
grootmoeder
Anna van
Hulten met
haar
voorzaten
ongetwijfeld
heeft
beschouwd.
Nu de
Ommelander
adel een
selecte
gesloten
groep
vormde was
het zonder
meer tot
een
schande
geworden
een
familierelatie
met
buitenstaanders
te hebben.
Vooral de
mislukte
poging van
een groep
jonkers om
in
1661-1662
een
formele
ridderschap
in te
voeren
heeft het
standsgevoel
versterkt[31]
. Buiten
Stad en
Lande
bestonden
zulke
ridderschappen
wel. Wie
als
Ommelander
jonker
buiten de
gewestelijke
grenzen
kwam moest
in feite
erkennen
dat hij
een
onzekere
status
bezat.
Juist die
onzekerheid
kan er toe
hebben
bijgedragen
dat de
jonkers
zich meer
en meer
voor
ongewenste
elementen
gingen
afgrendelen[32].
Het kan
een
boeiend
onderzoek
zijn in
het
talrijker
wordende
aantal
goede
genealogieën
eens na te
gaan in
welke
tijden en
in
hoeverre
de jonkers
en freules
een
huwelijkspartner
buiten hun
eigen
kring
vonden[33].
Niet slechts in het heden wilde men geen mésalliances, ook het verleden werd er naar gemodelleerd. Wie zijn voorgeslacht heraldisch zo indrukwekkend mogelijk wenste uit te beelden (en die behoefte was ruimschoots aanwezig) maar toch geminachte voorouders wilde verhullen moest wel zijn toevlucht nemen tot andere, weinig kiese maatregelen.
We
bezien nog
eens de
eerder
genoemde
kwartierstaat
van Reindt
Alberda en
Johanna
Horenken.
De
adellijke
afstamming
van de
echtelieden
is er in
volle
heraldieke
pracht op
weergegeven.
Maar zeer
in het oog
lopend en
de
compositie
schadend
is het dat
de
kwartieren
van Anna
van Hulten
hier zijn
weggelaten
als waren
ze
onbekend.
Ze zijn
werkelijk
doodgezwegen.
Dieper
verloochening
is
nauwelijks
denkbaar. Kunnen
we ons
voorstellen
dat Reindt
II
opdracht
zou hebben
gegeven om
op zijn
gedenk-
steen toch
het wapen
Van Hulten
aan te
brengen?
De
hypothese
dat er een
steen van
zijn
ouders -
voor welk
doel dan
ook gereed
gemaakt -
ter
beschikking
stond is
in ieder
geval op
kunsthistorische
gronden
niet
aanvechtbaar.
Bij de
beoordeling
hebben we
rekening
te houden
met het
artistieke
vertragingseffect
van de
perifere
ligging
van Stad
en
Ommelanden.
Als we
daar
minder de
nadruk op
leggen,
dan
pleiten de
stijfheid
van de
strikjes
en van de
guirlandes
links en
rechts
eerder
voor een
datering
op het
eind van
de
zeventiende
eeuw dan
een
eindweegs
in de
achttiende.
Maar de
lichtere,
minder
bewogen
ornamentiek
en de
overzichtelijker
vlakverdeling,
die in de
late
zeventiende
eeuw in de
plaats
komen van
de
kenmerken
der
klassicistische
barok met
haar
zwaardere
en
heftiger
vormentaal,
blijven
ook in de
eerste
helft van
de
achttiende
eeuw nog
in zwang[34].
EEN
GRAFDICHT
VOOR
REINDT
ALBERDA
Bij
het
overlijden
van Reindt
II Alberda
schreef
dominee
Abraham
Marterstek,
predikant
te Eenum[35],
die in het
overlijdensregister
aan de
leden van
het
geslacht
Alberda
menigmaal
een in
kundig
Latijn
gesteld
getuigenis
meegeeft,
onder het
stervensbericht[36]:
Hoc
Epithapium
(sic) in
Defunctum
Toparcham
composui.
Heic
Reindt
Alberdae
proh!
mortua
membra
quiescunt,
Formata
ex fragili
pulvere,
pulvis
erunt.
Ast
Animam
capiunt
Habitacula
splendida
coeli,
Quae
Christo
capiti jam
sociata
suo est.
Siste gradum, lector, per me condiscito, Quod sit
Vita Hominum pulvis, bulla, cinisque, nihil.
Dr. H.
Schoonhoven
te
Westlaren
was zo
vriendelijk
voor een
passende
vertaling
van dit
gedicht te
zorgen,
welke met
haar
metrische
regelval
recht doet
aan het
origineel:
Ik heb
dit
grafdicht
op de
overleden
hoofdeling
vervaardigd.
Hier
rusten,
ach! van
Reindt
Alberda de
gestorven
leden;
uit
broos stof
gevormd
zullen zij
stof weder
zijn.
Doch
zijn ziel
vindt haar
woon in de
stralende
woonstee
des
hemels,
en
verenigd
is zij
thans met
Christus,
haar
hoofd.
Houd
Uw tred
even in,
gij lezer,
en wil van
mij leren,
dat
's mensen
leven is:
stof, een
waterbel,
as,
niemendal.
Bij
de vierde
regel kan
worden
verwezen
naar de
bijbeltekst
Epheziërs
4: 15.
Regel vijf
herinnert
aan oude
Romeinse
grafschriften,
waarop de
wandelaar
- zoals
hier de
lezer - in
dezelfde
trant
wordt
toegesproken.
Helaas
werd dit
fraaie en
tot
nadenken
stemmende
gedicht
niet
werkelijk
als
grafschrift
gebruikt.
Reindt
Alberda
moest het,
zoals we
hebben
gezien,
met een
opschrift
van veel
geringer
kwaliteit
doen.
EEN
VERVALST
ROUWBORD
IN
MIDWOLDE
Eenum
vererfde
na Reindts
dood op
zijn
oudste
dochter
Clara
Alberda.
Zij
overleed
in 1732,
ook haar
tweede man
Willem
Alberda
van
Dijksterhuis
overlevend[37].
Hun
dochter
Susanna
Johanna
Alberda,
1718-1799,
erfde
Eenum in
1744 en
huwde in
1750
Willem van
In- en
Kniphuisen,
1700-1768,
heer van
Nienoort[38].
Hij was
een zoon
van
Hendrik
Ferdinand
van In- en
Kniphuisen
en Aurelia
Jarges.
Zijn
grootouders
waren Haro
Caspar van
In- en
Kniphuisen
en
Petronella
Anna Lewe,
mitsgaders
Schelto
Jarges en
Johanna
Alberda[39].
En deze
Schelto
was weer
een zoon
van Coppen
Jarges en
Anna van
Hulten,
dus een
broer van
Clara
Jarges, de
vrouw van
Reindt I
Alberda
van Eenum.
Zulke
verstrengelingen
waren bij
de gewilde
beperkte
huwelijkskeus
verre van
zeldzaam.
De
zestien
kwartieren
van Willem
van In- en
Kniphuisen
zijn in
werkelijkheid:
Kniphuisen
Lewe
Jarges
Alberda
Freitag
Hooftman
Van
Hulten
Ubbena
Amelunxen
Coenders
Entens
Schatter
Haren
Roltman
Bareis
Coenders[40]

fig.
8.
Rouwbord
voor
Willem van
In- en
Kniphuizen,
overleden
17 maart
1768, in
de kerk
van
Midwolde (Westerkwartier).
Tot de
nagedachtenis
van Willem
- die met
zijn vrouw
Susanna op
de
Nienoort
was gaan
wonen, al
brachten
ze
jaarlijks
nog wel
enige tijd
in Eenum
door -
werd in de
kerk van
Midwolde
een
rouwbord
opgehangen
(afb. 8)[41].
Maar ook
de
adeltrots
van de
heren en
vrouwen
van de
Nienoort
verdroeg
het niet
in de
schaduw
van het
fraaie
marmeren
grafmonument
te prijken
met de
kwartieren
Van Hulten
en Barels.
Wat te
doen? Men
vond een
oplossing
die
sierlijker,
maar
tegelijk
misleidender
was dan
die op het
wapenbord
Alberda-Horenken.
De
kwartieren
van de
moeder van
de
overledene,
Aurelia
Jarges,
werden in
plaats van
met de
kwartieren
van haar
vader
Schelto
aangevuld
met die
van haar
grootvader
Coppen
Jarges, en
zo kon het
voorgeslacht
Van Hulten
worden
omzeild.
Aldus
werden op
het
rouwbord
als
moederlijke
kwartieren
aangebracht:
Jarges
Alberda
Froma
Ompteda
Heeralma
Uiterwijck
Ter
Lane
Harsens
Evenmin
als de
weglating
van de
wapens op
het
wapenbord
Alberda-Horenken
kan deze
camouflage
te
Midwolde
moeilijk
per abuis
tot stand
zijn
gekomen.
Immers
waren deze
zelfde
acht
kwartieren
bekend van
de
grafzerk
van de
zuster van
Coppen
Jarges,
Bawe
Jarges,
die in
1654
overleed
en in de
kerk van
Baflo werd
begraven[42].
Nu is gebleken dat kwartieren op een rouwbord zijn vervalst kan men zich afvragen hoe het met de overige wapenborden is gesteld. En met deze vraag komt weer een plan ter tafel dat al omstreeks 1935 ten Rijksarchieve werd besproken: een kritisch onderzoek van alle kwartieren op rouwborden, wapenborden, grafzerken, klokken, orgels enzovoorts, die in Groningen en ook daarbuiten bekend zijn.
VERANTWOORDING
ILLUSTRATIES
OVER DE
SCHRIJVERS
I:
Hans de
Smidt,
Groningen.
A.
Pathuis,
Rubenslaan
1-201,3723
BM Biltho-
2:
Rijksarchief
Groningen.
ven,
tel.
030-784797,
is
oud-hoofdarchivist
bij het
3,
4, 8: Jan
Hovinga,
Zuidlaren.
Rijksarchief
in
Groningen.
5:
Iconographisch
Bureau, 's
Gravenhage.
H.
G. de Olde,
postbus
55, 9470
AB
Zuidlaren.
6: W. P. Pastoor, Loppersum (negatief in Ge- tel. 05905-1282, is secretaris van de redactiecorn-
rneentearchief
Groningen).
missie
voor de
Publicatiemap
der
Stichting
Oude
7:
lnstituut
voor
Liturgiewetenschap,
Groningen.
Groninger
Kerken.
[1] "op Eenums hoge berg/dat moet een jeder weten/Daar woont | raar gezel/1 Meesler der Poëten ( ). Olipodrigo, dat is: ‘t Malle-kostersboekje, K. ter Laan, ed. (Zutphen, 1933) p. 135-136.
[2] Zie voor een beschrijving van de kerk: M. D. Ozinga, Oost Groningen, De Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, deel VI, De Provincie Groningen, eerste stuk ('s Gravenhage, 1940) p. 229-231.
[3] Over de geschiedenis van de borg en zijn bewoners: Jb. Vinhuizen, "Het Huis te Eenum", Maandblad Groningen, V (1923) 201-210; W. J. Formsma, R. A. Luitjens-Dijkveld Stol en A. Pathuis, De Ommelander Borgen en Steenhuizen (Assen, 1973) 93-96.
[4] A. Pathuis, Groninger Gedenkwaardigheden, Teksten, wapens en huismerken van 1298-1814 (Assen-Amsterdam. 1977) nr. 1086.
[5] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 1088.
[6] In Bestek en voorwaarden voor een nieuwe kap op de kerk, d.d. 21 mei 1845. is nog sprake van "het thans bestaande halfronde gedeelte der muur, lang in omtrek plm. 12 m," waar de vormgeving van de kap blijkens de voorschriften zich naar zal moeten richten. In Bestek en voorwaarden voor een verplaatsing van het meubilair (preekstoel, doophek en een deel van de banken), d.d. 9 oktober 1845, wordt gesproken van een “nieuwe muur (….) in het oosteinde der kerk (… )." Blijkbaar zijn de plannen gedurende de werkzaamheden gewijzigd. Archief Kerkvoogdij Zeerijp-Eenum.
[7] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nrs. 1094 en 1095. Zie over Willem en Reint Ubbena: Vinhuizen. "Eenum", 202-205.
[8] Vriendelijke mededeling van Ing. W. van der Veen te Groningen.
[9] Bestek en voorwaarden d.d. 9 oktober 1845 schrijven voor: “Binnen het kerkgebouw (……) de zich aan de zuidmuur bevestigde predikstoel voorzigtig zoo mogelijk in zijn geheel los te maken. en in het oosteinde der kerk. op eene van steen gemetselde, en met beste schelpkalk en cement bepleisterde pedestal of voetstuk te plaatsen (……).”
[10] Ozinga spreekt dan ook van een “eenvoudigen graf- of gedenksteen": Ozinga. Oost Groningen. 231.
[11] De schetsen bevinden zich in de Genealogische Verzameling 7 (Alberda). Rijksarchief Groningen.
[12]
In
opdracht
van de
Stichting
Oude
Groninger
Kerken.
onder
directie
van het
Bureau
voor
Architectuur
en
Stedebouw
Ir P. B
Offringa te Groningen. door A. Stamhuis, aannemer te Loppersum.
[13] In de vloer van het koor der kerk van Leegkerk ligt een oblong bewerkte grafzerk voor de predikant Johanes Schroederus (†1616) en zijn vrouw Margret Benen (†1623): hiervoor is evenwel een van de vroegere altaarstenen gebruikt: Pathuis. Gedenkwaardigheden. nr. 2162.
[14] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 1101.
[15] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 1094.
[16] Horatius. Epislula I, 16, 79 (vriendelijke mededeling van Dr. H. Schoonhoven te Westlaren) Latijnse schrijvers waren niet zeldzaam in de bibliotheken der borgbewoners: zie: H. Feenstra. De bloeitijd en het verval van de Ommelander Adel 1600-1800 (Diss. Rijksuniversiteit Groningen 1981) 130.
[17] De kwartierstaat bevindt zich ten huize van Jhr. Drs. P. C. W. Alberda van Ekenstein te ’s Gravenhage, zulks in bruikleen van de Dienst Verspreide Rijkscollecties. cat. nr. C 707. Het paneel is gesigneerd Jan P. Herlin. Zonder lijst meet het 1,13 x 1,44 m. Andere werken van Herlin zijn niet bekend. Blijkens hel zeer primitieve karakter van het schilderwerk mag niet worden uitgesloten dat hij een decoratie- of huisschilder dan wel een amateur is geweest. Ook andersoortige naspeuringen naar Herlin bleven vrijwel vruchteloos: hij komt slechts voor in hel fichier van de Bibliothèque Wallone: "anno 1720 mentionné dans les resolutions des Bourgemestres de Groningue Jean Philippe Herlin ou de Herlin. fils de Jean, peintre.” Het is aannemelijk dat hij stamt uit de omstreeks 1590 uit Vlaanderen uitgeweken familie Herlin. die zich later in Ostfriesland vestigde. Vriendelijke mededelingen van C. W. Delforterie en N. Plomp. Conservatoren van het Centraal Bureau voor Genealogie te ’s Gravenhage, van Jhr. F. G. L. O. van Kretschmar, directeur van de Stichting Iconographisch Bureau te ’s Gravenhage, en van Mej. drs. C. J. A. Wansink van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie.
[18] Het wapen Van Hulten is: In zilver een rode dwarsbalk, vergezeld van drie rode molenijzers (2-1).
[19] Vinhuizen. "Eenum", 205; T. W. Siertsema. "Ubbena". De Nederlandsche Leeuw. LXXXIV (1967) kol. 126-133, hier kol. 131; Formsma. Borgen 136, Feenstra, Ommelander Adel, 339-340.
[20] Formsma, Borgen, 93; Feenstra. Ommelander Adel, 141.
[21] Rijksarchief Groningen, Genealogische Verzameling 280 (Alberda); Vinhuizen, "Eenum". 205; Feenstra, Ommelander Adel, Stamtafel 1. De Alberda's.
[22] B.v.B. (=M.A. Beelaerts van Blokland). „Jarges“, Nederlands’s Adelsboek, XLI (1943-1948) 74-78, hier 76; Formsma, Borgen, 338; Feenstra, Ommelander Adel, Stamtafel 11, De familie Jarges.
[23] C. H, van Hulten, "Van Hulten", Bijblad van de Nederlandsche Leeuw, III (1960) 64-77, hier 65-66.
[24] Kerkeboek Eenum: Rijksarchief Groningen. Doop- en trouwboeken LVIII, 39 (verder vermeld als DTB).
[25] Rijksarchief Groningen, Genealogische Verzameling 280 (Alberda); Vinhuizen, "Eenum", 206.
[26]Vinhuizen, "Eenum", 206; Feenstra, Ommelander Adel, 142.
[27] DTB, LVIII, 42.
[28] Op 17 maart 1708 werd zij "des avonts roustatig in Martini kerke begraven sijnde onder het gevolg Sijn Furstelike Doorluchtigheit de Heer Prince van Nassau Stadhouder deser provincie", DTB, LVIII, 40 verso; zie ook: H L. Hommes, "Bijdragen tot genealogieën van oude adellijke geslachten in Stad en Lande, IX, 17, Horenken", De Nederlandsche Leeuw, LXXI (1954) kol. 299-314, hier kol. 307.
[29] Het orgel werd gebouwd door Arp Schnitger; zie: Arp Schnitger (1648-1719) en zijn werk in het Groningerland, H. A. Edskes, Renske Koning en H. F. W. Kruize, red. (Groningen, 1969) 96-97; Gustav Fock, Arp Schnitger und seine Schule (Kassel, 1974) 243.
[30] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 1089
[31] N. Tonckens, "De kaart van de gebroeders Coenders en de plannen tot oprichting van een Ommelander ridderschap in de 17e eeuw", Groningse Volksalmanak 1961, 20-48; Formsma, Borgen, 28-34; Feenstra, Ommelander Adel, 108-117, met daarbij Bijlage 27, 408-409.
[32] Feenstra, Ommelander Adel, 111.
[33]
Zie
de lijst
van
genealogieën
in Formsma,
Borgen,
556-558.
Een eerste
aanzet tot
het hier
bedoelde
onderzoek
is gedaan
door
Feenstra, Ommelander
Adel,
116-117,
met
daarbij
Tabel 14,
362 en
Bijlage
28,
410-415.
[34] Vriendelijke mededelingen van Drs. J. J. Falize en Drs. C. P. J. van der Ploeg, beiden te Groningen.
[35] Abrahamus Marterstek, predikant te Saaksum 1681-1686, te Eenum 1686-1741, aldaar op 86-jarige leeftijd overleden. Hij was een neef van de bekende Abraham Trommius. DTB LVIII. 1 en 44; ook; W. Duinkerken. Sinds de Reductie van Stad en Lande (Andijk-Ezinge, 1969) 126.
[36] DTB LVIII, 42-42 verso.
[37] Vinhuizen, "Eenum", 208; Formsma. Borgen, 93.
[38] Vinhuizen, "Eenum", 208; W J. J. C Bijleveld, "Genealogie van het geslacht von Innhausen und Knyphausen in de Nederlanden", De Nederlandsche Leeuw, LIII (1935) kol. 162-171, hier kol. 168; Formsma, Borgen, 96; Feenstra, Ommelander Adel, 145, en Stamtafel 10, De Van In- en Kniphuisens.
[39] Bijleveld., “Von lnnhausen”, kol.166-168.
[40] De acht kwartieren van Aurelia Jarges kunnen worden opgebouwd met behulp van: Siertsema. “Ubbena”., kol. 131-132; Beelaerts, "Jarges", 76.
[41] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 2723.
[42] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 725; vergelijk H. L. Hommes, "Bijdrage voor een genealogie Ompteda", De Nederlandsche Leeuw, LVI1l (1940) kol. 125-132, hier kol. 127.