Verhuld Voorgeslacht

Stichting Oude Groninger kerken, publicatie 28, november 1982. A. Pathuis en H.G. de Olde

 

DE KERK VAN EENUM

Eenums hoge berg[1], zo werd in de volksmond de wierde genoemd waarop, slechts van elkaar gescheiden door een gracht, de middeleeuwse kerspelkerk en de veel jongere borg waren gebouwd. Van deze twee is alleen de kerk nog over[2]. De borg werd in 1800 afgebroken. In de jaren 1880-1885 is het terrein rondom de kerk afgegraven zodat zelfs de vroegere plaats van de borg niet meer te onderkennen valt[3].

De kerk was uitgerust met een dakruiter op het westeinde van het dak (afb. 1). Eerst in 1701 werd deze vervangen door een toren, gebouwd tegen de westelijke gevel van de kerk. Dit blijkt uit de inhoud van een potje dat bij restauratiewerkzaamheden in 1930 uit de torenmuur te voorschijn kwam[4]. Op de torenspits prijkt een windvaan met het jaartal 1710, de naamletters van Reindt Alberda en de emblemen uit diens wapen: drie leliën en een ster[5].

Het halfrond gesloten koor werd in 1845 afgebroken. Een rechte sluitmuur kwam er voor in de plaats[6]. Het in een baksteen van deze muur gegrifte jaartal memoreert de verbouw. De grafzerken voor de borgbewoners de gebroeders Willem Ubbena (1639) en Reint Ubbena (1639) kwamen er door buiten de kerk te liggen en zakten in de grond[7]. In 1967 zijn ze weer blootgelegd door de heer H. J. Jansonius te Overschild. Het is niet uitgesloten dat zich op het koor ook een grafkelder bevond; bij het bodemonderzoek in 1976 werd daarvoor geen aanwijzing meer gevonden[8].

Een steen werd van het koor overgebracht naar de kerk, ingepast in de nieuwe sluitmuur en samen met deze bepleisterd. In de pleisterlaag werd een uitsparing gelaten, waardoor de tekst leesbaar bleef. De tekst bevond zich onder de preekstoel uit 1654, die bij deze gelegenheid van zijn oorspronkelijke plaats aan de zuidwand naar de nieuwe oostmuur was overgebracht[9].

fig. 1 De kerk van Eenum voor 1701. Gebrandschilderd glas, afkomstig uit de kerk; op 22 december 1915 in bruikleen gegeven aan het Groninger Museum. Afmetingen 15 1/2 x 18 cm.

Met de jaren ging de kennis van deze steen verloren[10]. Slechts twee schetsjes in het Rijksarchief in Groningen vertelden dat er buiten de tekst een wapen en twee groepen van acht kwartieren op waren uitgebeiteld (afb. 2) [11].

 

Inmiddels werd de kerk van Eenum in 1976-1977 gerestaureerd[12]. Overeenkomstig de verwachting van sommigen, maar tot verrassing van velen, kwam de volledige steen weer te voorschijn, zij het fors beschadigd. Voor de draagbalk van de preekstoel was een rechthoekig gat in de steen gehakt en enkele wapens waren ietwat afgekapt om de muur zo vlak mogelijk te maken. Maar de oude kleuren waren, hoe verflauwd ook, nog vrijwel alle aanwezig.

Bij de restauratie werd de steen uit zijn ongelukkige positie in de oostwand verwijderd en nu in de noordwand van de kerk aangebracht. Principieel werd afgezien van elke retouche of aanvulling; slechts werd het gat in het hoofdwapen gedicht, waarna in de specie werd gegrift: verplaatst a.d. 1977 (afb. 3).

fig. 3 Gedenksteen voor Reindt Alberda, nu in de noordwand van de kerk van Eenum.

 

EEN GEDENKTEKEN VOOR REINDT ALBERDA

 

Is de steen vanwege zijn verschijningsvorm en zijn recente lotgevallen al belangwekkend genoeg, werkelijk intrigerend wordt hij wanneer we hem wat nader beschouwen en in verband brengen met een aantal andere gegevens.

Klaarblijkelijk is de steen geen grafzerk. Niet slechts noemt een van de schetsjes hem een "Gedenkteeken", ook de bijzonderheden van de steen zelf maken een plaatsing in de vloer van de kerk onwaarschijnlijk: Het formaat is oblong, breder dan hoog, iets wat bij grafzerken vrijwel niet voorkomt[13]. De wapens zijn gekleurd, hetgeen gebruik als zerk of als deksteen voor een grafkelder minder geschikt maakt. Langs de bovenrand is nog zichtbaar dat deze ooit door een nu afgekapte lijst werd afgesloten. Zowel blijkens de oudste schets als op grond van de omraming van het oorspronkelijk met een kroon gedekte hoofdwapen is het zeker dat de steen in het midden hoger is geweest, of dat het gedenkteken uit meer stenen was samengesteld. Zouden de afmetingen van de geel-grijze zandsteen (hoog 1,51 m, breed 2,20 m) nog wel met een bestemming als grafzerk of deksteen te verenigen zijn, de meeste andere karakteristieken pleiten er tegen.

 

Welke informatie levert de steen ons verder? In het midden, boven de tekst, bevindt zich het hoofdwapen. Het is gedeeld: I. Alberda (in blauw drie gouden leliën, vergezeld in het schildhart van een gouden ster); II. Jarges (in rood een gouden hartschild, beladen met een zwarte letter H, het hartschild vergezeld van acht zilveren rozen, drie van boven, drie van onderen en een aan elke zijde). In het schildhart is over de deellijn een helaas zwaar beschadigd wapentje aangebracht. Het enige dat nog is te onderkennen is een roos in de schildvoet. Van andere voorbeelden is dit wapen niet bekend, zodat reconstructie niet doenlijk is. Het wapentje geeft de bezitting Eenum aan, volgens een gewoonte die in het midden van de zeventiende eeuw ingang vond om de borg, waaraan diverse heren her verworven rechten waren "gehecht", met een wapen aan te duiden. Soortgelijke wapens zijn van een dertigtal borgen bekend en worden veelal, doch niet altijd, als hartschild op het onderverdeelde hoofdschild geplaatst. Als schildhouders fungeren twee leeuwen, hier ernstig beschadigd. Ook van de kroon is weinig meer over.

 

Aan beide zijden van het hoofdwapen bevinden zich twee rijen van vier wapens onder elkaar, die niet vergezeld gaan van namen. Deze kwartieren zijn:

 

Alberda                            Ubbena                       Jarges                          Van Hulten

Schatter                           Coenders                     Entens                         Barels

Broersema                       Alberda                       Froma                         Van de Lare

De Mepsche                    Roltman                       Ompteda                     ?

 

De tekst onder het hoofdwapen luidt als volgt:

 

REINDT ALBERDA COLLATOR ET TOPARCHA

IN EENUM IN ZANDT LEERMENS EENUM

ZEERIJP EESTRUM TENPOST TERLAAN IN

REIJLANDT ET IN VIERBUIREN NOBILIS ET

IUDICIS IUS HABENS PRAEFECTUS CATHARACTAE

SCARMENSIS IN CASTELLO DELFZIJLIA

HAEREDITARIUS IN CURIA HOVETMANNORUM

GRONINGAE ET OMLANDIAE ASSESSOR MATRIMO

NIO CONIUNCTUS FUIT CUM GENEROSISSIMA

ET INCLITA MATRONA DOMINA IOHANNA

HORENKEN OBIJT ANNO 1724 DEN 15 IANUWA[14]

 

Een vertaling van deze in quasi-Latijn gestelde opsomming van alle functies van Reindt Alberda biedt het volgende:

Reindt Alberda, collator en hoofdeling in Eenum, jonker en redger in 't Zandt, Leermens, Eenum, Zeerijp, Eestrum, Ten Post, Ter Laan, in Reijland en in Vierburen, erfschepper van het Scharmerzijlvest in de vesting Delfzijl, zitting hebbend in de hoofdmannenkamer van Groningen en Ommelanden, was gehuwd met de zeer aanzienlijke en doorluchte Johanna Horenken. Hij stierf in het jaar 1724, de 15e  januari.

Het is aannemelijk dat de sterfdatum door een latere hand werd aangebracht dan het overige deel van de tekst: de letters zijn ten dele anders van vorm, en de steenhouwer dan wel diens opdrachtgever laat nu elke poging varen om zich in het Latijn uit te drukken.

Van de hoofdtekst gescheiden door een grotendeels afgekapte maar nog juist herkenbare doodskop met gekruiste doodsbeenderen is geheel onder aan de steen de spreuk MORS ULTIMA LINEA RERUM geplaatst.

       fig. 4.

Deze spreuk komt in Eenum ook voor op de eerder genoemde zerk voor Willem Ubbena (1631) en is daar vrijwel zeker aan ontleend (afb. 4)[15]. Het is een citaat uit een der brieven van Horatius, zij het met een kleine variant. Horatius schreef: Mors ultima linea rerumst, waarbij het laatste woord een samentrekking is van rerum est. De zin zonder est blijft evenwel correct Latijn. De spreuk betekent: de dood is de eindstreep der dingen. Het beeld is ontleend aan de wedloop in het stadion: de startstreep, die ook finishlijn is, wordt gedurende de ronden van de wedloop meermalen overschreden, tot op zeker ogenblik de laatste ronde is afgelegd[16].

 

DE KWARTIERSTAAT ALBERDA-HORENKEN

fig. 5. Wapenkwartierstaat Alberda-Horenken, geschilderd door Jan P. Herlin. Afkomstig van de borg van Eenum, nu in het bezit van de Dienst Verspreide Rijkscollecties.

Bij een eerste kennismaking met de steen lijkt niets de conclusie in de weg te staan dat hij is aangebracht om de herinnering levend te houden aan Reindt (II) Alberda, heer van Eenum, zoon van Reindt (I) Alberda en Clara Jarges, echtgenoot van Johanna Horenken.

Maar er is meer. Want dezelfde Reindt Alberda, wiens waardigheden in de tekst worden vermeld, liet samen.met zijn vrouw ook een grootse kwartierstaat Alberda-Horenken schilderen, in de vorm van een loofboom[17]. Naast en onder de boom is de borg te Eenum afgebeeld. Van de 64 mogelijke kwartieren in de hoogste takken ontbreken er 8, omdat het wapen Van Hulten van de schoonmoeder van Reindt I niet is geschilderd en al haar voorouders dat lot delen (afb. 5)[18].

Wat schuilt hier achter? Het moet al hoogst onwaarschijnlijk worden geacht dat Reindt II, die over zijn voorgeslacht verder uitnemend blijkt te zijn geïnformeerd, niet wist uit welk geslacht zijn grootmoeder van moederszijde stamde. De gedenksteen met het wapen Van Hulten toont bovendien dat hij niet onwetend kon zijn. Als de sterfdatum inderdaad door een andere hand is ingekapt is het zelfs mogelijk dat het opschrift met de functies van Reindt al bij zijn leven is aangebracht. Het heeft er alle schijn van dat hij zijn afstamming van zijn grootmoeder Anna van Hulten niet wilde weten. Maar waarom prijkt het versmade wapen dan wel op zijn steen? Kan het zijn dat de steen al veel langer, in relatie met zijn vader en moeder bestand?

We zullen ons een weinig verdiepen in zijn geslacht en ons tegelijkertijd rekenschap geven van het belang dat adellijke borgbewoners in de zeventiende en achttiende eeuw aan hun afstamming hechtten.

 

DE GESLOTEN STAND DER OMMELANDER ADEL

 

In 1686 overleed op haar borg te Godlinze Everdina Ubbena, weduwe van Herman Clant[19]. Van haar erfde een neef, Reindt (I) Alberda, 1630-1691, de borg te Eenum met alles wat daar bij behoorde[20]. Anders dan zijn tante ging hij er wel wonen, waarschijnlijk al voor haar dood. Hij trouwde twee maal: eerst met Elisabeth Wicheringe, 1630-1656, daarna met Clara Jarges, 1635-1694[21].

    

fig. 6. Portret van Reindt Alberda 1662-1724. Heer van Eenum. Afkomstig van de borg van Eenum.

De ouders van Reindt Alberda en ook zijn vier grootouders behoorden tot de  bekende Ommelander geslachten, evenals die van Clara’s vader, Coppen Jarges, 1575-1642, hoofdeling te Saaksum en secretaris van Westerwolde[22]. Clara’s moeder was Anna van Hulten, geboren in 1592 te Leeuwarden en overleden in 1652. Coppen en Anna waren getrouwd te Groningen in 1617, kort na de reductie van 1594, toen de Ommelander adel nog geen gesloten stand vormde. Weliswaar was Anna's vader Lucas van Hulten een vermogend burger van Groningen en haar moeder de burgemeestersdochter Hiske Baroldes (Barels), maar de familie Van Hulten, waarvan de leden later velerlei ambten in de Stad bekleedden, behoorde niet tot de later zo gesloten kaste van de Ommelander jonkers[23]. In 1617 speelde dat nog geen rol, en blijkbaar ook nog niet toen Reindt en Clara - vóór 1662 - trouwden. Reindt Alberda overleed 5 november 1691 "nae een langduirende siekte" te Groningen en werd aldaar begraven[24]. Zijn weduwe stierf in 1694[25]. Hun oudste zoon, eveneens Reindt (II) genaamd, volgde zijn vader op als heer van Eenum (afb. 6)[26]. Hij was geboren in 1662, overleed 15 januari 1724 "nae een lange en uijtterende siekte" en werd op 1 februari “s avondts tusschen 8 en 9 uir int choor van dese kecke tot Enum begraven[27]."  Zijn huwelijk met Johanna Horenken was in 1685 voltrokken. Zij leefde van 1661 tot 1708 en vond haar laatste rustplaats in de Martinikerk te Groningen[28].

Ten tijde van dit echtpaar kwam in 1704 het orgel in de kerk te Eenum tot stand[29].

fig. 7. Orgel in de kerk van Eenum in 1704 door Arp Schnitger gebouwd. Op de borstwering de wapens Alberda-Jarges en Horenken- Van Isselmuden.

De heraldieke versiering, met vermelding van hun namen, beperkt zich tot de wapens van de wederzijdse ouders, Alberda-Jarges en Horenken-Van Isselmuden (afb. 7)[30]. Als men in beginsel al verder had willen gaan, dan gebood het standsbesef hier halt te houden. Men schaamde zich diep voor de afstamming van niet-adellijke voorouders zoals Reindt zijn grootmoeder Anna van Hulten met haar voorzaten ongetwijfeld heeft beschouwd. Nu de Ommelander adel een selecte gesloten groep vormde was het zonder meer tot een schande geworden een familierelatie met buitenstaanders te hebben. Vooral de mislukte poging van een groep jonkers om in 1661-1662 een formele ridderschap in te voeren heeft het standsgevoel versterkt[31] . Buiten Stad en Lande bestonden zulke ridderschappen wel. Wie als Ommelander jonker buiten de gewestelijke grenzen kwam moest in feite erkennen dat hij een onzekere status bezat. Juist die onzekerheid kan er toe hebben bijgedragen dat de jonkers zich meer en meer voor ongewenste elementen gingen afgrendelen[32]. Het kan een boeiend onderzoek zijn in het talrijker wordende aantal goede genealogieën eens na te gaan in welke tijden en in hoeverre de jonkers en freules een huwelijkspartner buiten hun eigen kring vonden[33].

Niet slechts in het heden wilde men geen mésalliances, ook het verleden werd er naar gemodelleerd. Wie zijn voorgeslacht heraldisch zo indrukwekkend mogelijk wenste uit te beelden (en die behoefte was ruimschoots aanwezig) maar toch geminachte voorouders wilde verhullen moest wel zijn toevlucht nemen tot andere, weinig kiese maatregelen.

We bezien nog eens de eerder genoemde kwartierstaat van Reindt Alberda en Johanna Horenken. De adellijke afstamming van de echtelieden is er in volle heraldieke pracht op weergegeven. Maar zeer in het oog lopend en de compositie schadend is het dat de kwartieren van Anna van Hulten hier zijn weggelaten als waren ze onbekend. Ze zijn werkelijk doodgezwegen. Dieper verloochening is nauwelijks denkbaar. Kunnen we ons voorstellen dat Reindt II opdracht zou hebben gegeven om op zijn gedenk- steen toch het wapen Van Hulten aan te brengen? De hypothese dat er een steen van zijn ouders - voor welk doel dan ook gereed gemaakt - ter beschikking stond is in ieder geval op kunsthistorische gronden niet aanvechtbaar. Bij de beoordeling hebben we rekening te houden met het artistieke vertragingseffect van de perifere ligging van Stad en Ommelanden. Als we daar minder de nadruk op leggen, dan pleiten de stijfheid van de strikjes en van de guirlandes links en rechts eerder voor een datering op het eind van de zeventiende eeuw dan een eindweegs in de achttiende. Maar de lichtere, minder bewogen ornamentiek en de overzichtelijker vlakverdeling, die in de late zeventiende eeuw in de plaats komen van de kenmerken der klassicistische barok met haar zwaardere en heftiger vormentaal, blijven ook in de eerste helft van de achttiende eeuw nog in zwang[34].

 

EEN GRAFDICHT VOOR REINDT ALBERDA

 

Bij het overlijden van Reindt II Alberda schreef dominee Abraham Marterstek, predikant te Eenum[35], die in het overlijdensregister aan de leden van het geslacht Alberda menigmaal een in kundig Latijn gesteld getuigenis meegeeft, onder het stervensbericht[36]:

 

Hoc Epithapium (sic) in Defunctum Toparcham composui.

Heic Reindt Alberdae proh! mortua membra quiescunt,

Formata ex fragili pulvere, pulvis erunt.

Ast Animam capiunt Habitacula splendida coeli,

Quae Christo capiti jam sociata suo est.

Siste gradum, lector, per me condiscito, Quod sit

Vita Hominum pulvis, bulla, cinisque, nihil.

 

Dr. H. Schoonhoven te Westlaren was zo vriendelijk voor een passende vertaling van dit gedicht te zorgen, welke met haar metrische regelval recht doet aan het origineel:

 

Ik heb dit grafdicht op de overleden hoofdeling vervaardigd.

Hier rusten, ach! van Reindt Alberda de gestorven leden;

uit broos stof gevormd zullen zij stof weder zijn.

Doch zijn ziel vindt haar woon in de stralende woonstee des hemels,

en verenigd is zij thans met Christus, haar hoofd.

Houd Uw tred even in, gij lezer, en wil van mij leren,

dat 's mensen leven is: stof, een waterbel, as, niemendal.

 

Bij de vierde regel kan worden verwezen naar de bijbeltekst Epheziërs 4: 15. Regel vijf herinnert aan oude Romeinse grafschriften, waarop de wandelaar - zoals hier de lezer - in dezelfde trant wordt toegesproken.

Helaas werd dit fraaie en tot nadenken stemmende gedicht niet werkelijk als grafschrift gebruikt. Reindt Alberda moest het, zoals we hebben gezien, met een opschrift van veel geringer kwaliteit doen.

 

EEN VERVALST ROUWBORD IN MIDWOLDE

Eenum vererfde na Reindts dood op zijn oudste dochter Clara Alberda. Zij overleed in 1732, ook haar tweede man Willem Alberda van Dijksterhuis overlevend[37]. Hun dochter Susanna Johanna Alberda, 1718-1799, erfde Eenum in 1744 en huwde in 1750 Willem van In- en Kniphuisen, 1700-1768, heer van Nienoort[38]. Hij was een zoon van Hendrik Ferdinand van In- en Kniphuisen en Aurelia Jarges. Zijn grootouders waren Haro Caspar van In- en Kniphuisen en Petronella Anna Lewe, mitsgaders Schelto Jarges en Johanna Alberda[39]. En deze Schelto was weer een zoon van Coppen Jarges en Anna van Hulten, dus een broer van Clara Jarges, de vrouw van Reindt I Alberda van Eenum. Zulke verstrengelingen waren bij de gewilde beperkte huwelijkskeus verre van zeldzaam.

De zestien kwartieren van Willem van In- en Kniphuisen zijn in werkelijkheid:

Kniphuisen                       Lewe                           Jarges                          Alberda

Freitag                             Hooftman                    Van Hulten                  Ubbena

Amelunxen                       Coenders                     Entens                         Schatter

Haren                               Roltman                       Bareis                          Coenders[40]

 

fig. 8. Rouwbord voor Willem van In- en Kniphuizen, overleden 17 maart 1768, in de kerk van Midwolde (Westerkwartier).

Tot de nagedachtenis van Willem - die met zijn vrouw Susanna op de Nienoort was gaan wonen, al brachten ze jaarlijks nog wel enige tijd in Eenum door - werd in de kerk van Midwolde een rouwbord opgehangen (afb. 8)[41]. Maar ook de adeltrots van de heren en vrouwen van de Nienoort verdroeg het niet in de schaduw van het fraaie marmeren grafmonument te prijken met de kwartieren Van Hulten en Barels.

Wat te doen? Men vond een oplossing die sierlijker, maar tegelijk misleidender was dan die op het wapenbord Alberda-Horenken. De kwartieren van de moeder van de overledene, Aurelia Jarges, werden in plaats van met de kwartieren van haar vader Schelto aangevuld met die van haar grootvader Coppen Jarges, en zo kon het voorgeslacht Van Hulten worden omzeild. Aldus werden op het rouwbord als moederlijke kwartieren aangebracht:

Jarges                              Alberda

Froma                              Ompteda

Heeralma                         Uiterwijck

Ter Lane                          Harsens

 

Evenmin als de weglating van de wapens op het wapenbord Alberda-Horenken kan deze camouflage te Midwolde moeilijk per abuis tot stand zijn gekomen. Immers waren deze zelfde acht kwartieren bekend van de grafzerk van de zuster van Coppen Jarges, Bawe Jarges, die in 1654 overleed en in de kerk van Baflo werd begraven[42].

Nu is gebleken dat kwartieren op een rouwbord zijn vervalst kan men zich afvragen hoe het met de overige wapenborden is gesteld. En met deze vraag komt weer een plan ter tafel dat al omstreeks 1935 ten Rijksarchieve werd besproken: een kritisch onderzoek van alle kwartieren op rouwborden, wapenborden, grafzerken, klokken, orgels enzovoorts, die in Groningen en ook daarbuiten bekend zijn.

 

VERANTWOORDING ILLUSTRATIES OVER DE SCHRIJVERS

 

I: Hans de Smidt, Groningen.                                                 A. Pathuis, Rubenslaan 1-201,3723 BM Biltho-

2: Rijksarchief Groningen.                                                       ven, tel. 030-784797, is oud-hoofdarchivist bij het

3, 4, 8: Jan Hovinga, Zuidlaren.                                             Rijksarchief in Groningen.

5: Iconographisch Bureau, 's Gravenhage.                             H. G. de Olde, postbus 55, 9470 AB Zuidlaren.

6: W. P. Pastoor, Loppersum (negatief in Ge-                      tel. 05905-1282, is secretaris van de redactiecorn-

rneentearchief Groningen).                                                     missie voor de Publicatiemap der Stichting Oude

7: lnstituut voor Liturgiewetenschap, Groningen.              Groninger Kerken.



[1] "op Eenums hoge berg/dat moet een jeder weten/Daar woont | raar gezel/1 Meesler der Poëten ( ). Olipodrigo, dat is: ‘t Malle-kostersboekje, K. ter Laan, ed. (Zutphen, 1933) p. 135-136.

[2] Zie voor een beschrijving van de kerk: M. D. Ozinga, Oost Groningen, De Nederlandsche Monumenten van Geschiedenis en Kunst, deel VI, De Provincie Groningen, eerste stuk ('s Gravenhage, 1940) p. 229-231.

[3] Over de geschiedenis van de borg en zijn bewoners: Jb. Vinhuizen, "Het Huis te Eenum", Maandblad Groningen, V (1923) 201-210; W. J. Formsma, R. A. Luitjens-Dijkveld Stol en A. Pathuis, De Ommelander Borgen en Steenhuizen (Assen, 1973) 93-96.

[4] A. Pathuis, Groninger Gedenkwaardigheden, Teksten, wapens en huismerken van 1298-1814 (Assen-Amsterdam. 1977) nr. 1086.

[5] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 1088.

[6] In Bestek en voorwaarden voor een nieuwe kap op de kerk, d.d. 21 mei 1845. is nog sprake van "het thans bestaande halfronde gedeelte der muur, lang in omtrek plm. 12 m," waar de vormgeving van de kap blijkens de voorschriften zich naar zal moeten richten. In Bestek en voorwaarden voor een verplaatsing van het meubilair (preekstoel, doophek en een deel van de banken), d.d. 9 oktober 1845, wordt gesproken van een “nieuwe muur (….) in het oosteinde der kerk (… )." Blijkbaar zijn de plannen gedurende de werkzaamheden gewijzigd. Archief Kerkvoogdij Zeerijp-Eenum.

[7] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nrs. 1094 en 1095. Zie over Willem en Reint Ubbena: Vinhuizen. "Eenum", 202-205.

[8] Vriendelijke mededeling van Ing. W. van der Veen te Groningen.

[9] Bestek en voorwaarden d.d. 9 oktober 1845 schrijven voor: “Binnen het kerkgebouw (……) de zich aan de zuidmuur bevestigde predikstoel voorzigtig zoo mogelijk in zijn geheel los te maken. en in het oosteinde der kerk. op eene van steen gemetselde, en met beste schelpkalk en cement bepleisterde pedestal of voetstuk te plaatsen (……).”

[10] Ozinga spreekt dan ook van een  “eenvoudigen graf- of gedenksteen": Ozinga. Oost Groningen. 231.

[11] De schetsen bevinden zich in de Genealogische Verzameling 7 (Alberda). Rijksarchief Groningen.

[12] In opdracht van de Stichting Oude Groninger Kerken. onder directie van het Bureau voor Architectuur en Stedebouw Ir P. B

Offringa te Groningen. door A. Stamhuis, aannemer te Loppersum.

[13] In de vloer van het koor der kerk van Leegkerk ligt een oblong bewerkte grafzerk voor de predikant Johanes Schroederus (1616) en zijn vrouw Margret Benen (1623): hiervoor is evenwel een van de vroegere altaarstenen gebruikt: Pathuis. Gedenkwaardigheden. nr. 2162.

[14] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 1101.

[15] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 1094.

[16] Horatius. Epislula I, 16, 79 (vriendelijke mededeling van Dr. H. Schoonhoven te Westlaren) Latijnse schrijvers waren niet zeldzaam in de bibliotheken der borgbewoners: zie: H. Feenstra. De bloeitijd en het verval van de Ommelander Adel 1600-1800 (Diss. Rijksuniversiteit Groningen 1981) 130.

[17] De kwartierstaat bevindt zich ten huize van Jhr. Drs. P. C. W. Alberda van Ekenstein te ’s Gravenhage, zulks in bruikleen van de Dienst Verspreide Rijkscollecties. cat. nr. C 707. Het paneel is gesigneerd Jan P. Herlin. Zonder lijst meet het 1,13 x 1,44 m. Andere werken van Herlin zijn niet bekend. Blijkens hel zeer primitieve karakter van het schilderwerk mag niet worden uitgesloten dat hij een decoratie- of huisschilder dan wel een amateur is geweest. Ook andersoortige naspeuringen naar Herlin bleven vrijwel vruchteloos: hij komt slechts voor in hel fichier van de Bibliothèque Wallone: "anno 1720 mentionné dans les resolutions des Bourgemestres de Groningue Jean Philippe Herlin ou de Herlin. fils de Jean, peintre.” Het is aannemelijk dat hij stamt uit de omstreeks 1590 uit Vlaanderen uitgeweken familie Herlin. die zich later in Ostfriesland vestigde. Vriendelijke mededelingen van C. W. Delforterie en N. Plomp. Conservatoren van het Centraal Bureau voor Genealogie te ’s Gravenhage, van Jhr. F. G. L. O. van Kretschmar, directeur van de Stichting Iconographisch Bureau te ’s Gravenhage, en van Mej. drs. C. J. A. Wansink van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie.

[18] Het wapen Van Hulten is: In zilver een rode dwarsbalk, vergezeld van drie rode molenijzers (2-1).

[19] Vinhuizen. "Eenum", 205; T. W. Siertsema. "Ubbena". De Nederlandsche Leeuw. LXXXIV (1967) kol. 126-133, hier kol. 131; Formsma. Borgen 136, Feenstra, Ommelander Adel, 339-340.

[20] Formsma, Borgen, 93; Feenstra. Ommelander Adel, 141.

[21] Rijksarchief Groningen, Genealogische Verzameling 280 (Alberda); Vinhuizen, "Eenum". 205; Feenstra, Ommelander Adel, Stamtafel 1. De Alberda's.

[22] B.v.B. (=M.A. Beelaerts van Blokland). „Jarges“, Nederlands’s Adelsboek, XLI (1943-1948) 74-78, hier 76; Formsma, Borgen, 338; Feenstra, Ommelander Adel, Stamtafel 11, De familie Jarges.

[23] C. H, van Hulten, "Van Hulten", Bijblad van de Nederlandsche Leeuw, III (1960) 64-77, hier 65-66.

[24] Kerkeboek Eenum: Rijksarchief Groningen. Doop- en trouwboeken LVIII, 39 (verder vermeld als DTB).

[25] Rijksarchief Groningen, Genealogische Verzameling 280 (Alberda); Vinhuizen, "Eenum", 206.

[26]Vinhuizen, "Eenum", 206; Feenstra, Ommelander Adel, 142.

[27] DTB, LVIII, 42. 

[28] Op 17 maart 1708 werd zij "des avonts roustatig in Martini kerke begraven sijnde onder het gevolg Sijn Furstelike Doorluchtigheit de Heer Prince van Nassau Stadhouder deser provincie", DTB, LVIII, 40 verso; zie ook: H L. Hommes, "Bijdragen tot genealogieën van oude adellijke geslachten in Stad en Lande, IX, 17, Horenken", De Nederlandsche Leeuw, LXXI (1954) kol. 299-314, hier kol. 307.

[29] Het orgel werd gebouwd door Arp Schnitger; zie: Arp Schnitger (1648-1719) en zijn werk in het Groningerland, H. A. Edskes, Renske Koning en H. F. W. Kruize, red. (Groningen, 1969) 96-97; Gustav Fock, Arp Schnitger und seine Schule (Kassel, 1974) 243.

[30] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 1089

[31] N. Tonckens, "De kaart van de gebroeders Coenders en de plannen tot oprichting van een Ommelander ridderschap in de 17e  eeuw", Groningse Volksalmanak 1961, 20-48; Formsma, Borgen, 28-34; Feenstra, Ommelander Adel, 108-117, met daarbij Bijlage 27, 408-409.

[32] Feenstra, Ommelander Adel, 111.

[33] Zie de lijst van genealogieën in Formsma, Borgen, 556-558. Een eerste aanzet tot het hier bedoelde onderzoek is gedaan door Feenstra, Ommelander Adel, 116-117, met daarbij Tabel 14, 362 en Bijlage 28, 410-415.

[34] Vriendelijke mededelingen van Drs. J. J. Falize en Drs. C. P. J. van der Ploeg, beiden te Groningen.

[35] Abrahamus Marterstek, predikant te Saaksum 1681-1686, te Eenum 1686-1741, aldaar op 86-jarige leeftijd overleden.  Hij was een neef van de bekende Abraham Trommius. DTB LVIII. 1 en 44; ook; W. Duinkerken. Sinds de Reductie van Stad en Lande (Andijk-Ezinge, 1969) 126.

[36] DTB LVIII, 42-42 verso.

[37] Vinhuizen, "Eenum", 208; Formsma. Borgen, 93.

[38] Vinhuizen, "Eenum", 208; W J. J. C Bijleveld, "Genealogie van het geslacht von Innhausen und Knyphausen in de Nederlanden", De Nederlandsche Leeuw, LIII (1935) kol. 162-171, hier kol. 168; Formsma, Borgen, 96; Feenstra, Ommelander Adel, 145, en Stamtafel 10, De Van In- en Kniphuisens.

[39] Bijleveld., “Von lnnhausen”, kol.166-168.

[40] De acht kwartieren van Aurelia Jarges kunnen worden opgebouwd met behulp van: Siertsema. “Ubbena”., kol. 131-132; Beelaerts, "Jarges", 76.

[41] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 2723.

[42] Pathuis, Gedenkwaardigheden, nr. 725; vergelijk H. L. Hommes, "Bijdrage voor een genealogie Ompteda", De Nederlandsche Leeuw, LVI1l (1940) kol. 125-132, hier kol. 127.